De Amigoe behoudt zich het recht voor ingezonden brieven te weigeren, te corrigeren of anderzins redactioneel te bewerken en in te korten. Brieven, die maximaal 600 woorden mogen bevatten, moeten zijn voorzien van naam en woonplaats. Het adres en telefoonnummer worden niet gepubliceerd, maar zijn nodig ter verificatie. Gelieve brieven te sturen naar redactie@amigoe.com.
| Professor Bovend’Eert |
|
|
|
| dinsdag, 09 oktober 2012 16:18 | |||
|
NAAR AANLEIDING van de brief van professor Bovend’Eert, van 28 september 2012, hierbij een korte reactie. Het staatsrecht is een complex rechtsgebied, dat met name in de praktijk wordt gevormd. Daarom is het noodzakelijk dat er op Koninkrijksniveau ruimte voor differentiatie bestaat, zodat het staatsrecht passend is en blijft voor de lokale omstandigheden. In het Statuut is daarmee rekening gehouden: geen concordantie is vereist. Anders dan Bovend’Eert voorstelt, ben ik daarom van mening dat een vergelijking met het Nederlandse staatsrecht, dat al bijna 200 jaar in beweging is, niet op gaat in deze situatie. De gouverneur heeft, zoals Bovend’Eert later toegaf, wel degelijk in lijn met het Curaçaose staatsrecht gehandeld. Na het aftreden van het kabinet-Schotte heeft een nieuwe groep mensen die het vertrouwen van de Staten geniet een interim-kabinet gevormd. De vertrouwensregel is tevens de ongeschreven staatsrechtelijke grondslag hiervoor. Met betrekking tot de ontwikkeling van de parlementaire democratie kan men daarom juist stellen dat ‘het parlement hier zegeviert’. In het verlengde hiervan kan erop worden gewezen dat door het steunen van een interim-kabinet, de gouverneur zich geheel afzijdig heeft gehouden. Anders was het geweest als het interim-kabinet er op zijn initiatief zou zijn gekomen. Dat is hier, zoals uit de diverse berichtgevingen blijkt, niet het geval. Na de verkiezingen zal het interim-kabinet zich afzijdig houden bij het vormen van een nieuw kabinet. Het is vanuit juridisch perspectief onduidelijk waarom een interim-kabinet dat niet kan, maar een demissionair kabinet wel. Het interim-kabinet zal daarbij de regels van het geschreven en ongeschreven (Curaçaose) staatsrecht in acht moeten nemen. Dit wordt hier vermeld, aangezien politiek en staatsrecht vaak door elkaar worden gehaald. Immers, zoals gesteld wordt het staatsrecht en met name ten aanzien van de machtsverdeling, hoofdzakelijk in de praktijk gevormd. Politieke argumenten voeren soms de boventoon. Daarmee dient rekening te worden gehouden. Concluderend kan worden gesteld dat het Curaçaose staatsrecht hier is nageleefd en dat er geen onrechtmatig novum heeft plaatsgevonden. Over de wenselijkheid van dit novum kan de wetenschap nog twisten, maar dat is niet voor juristen weggelegd. Ten slotte is het – volledigheidshalve – ook niet aan de gouverneur om hier een mening over te vormen. Hij dient zich, zoals Bovend’Eert terecht stelt, afzijdig te houden. Anders dan Bovend’Eert de zaak schetst, lijkt de gouverneur dat in deze kwestie ook te doen. Bovend’Eert wijst er in dit kader terecht op dat de gouverneur boven partijen moet staan. Daarom is het noodzakelijk dat zijn positie niet wordt ondermijnd door critici van buitenaf; althans niet zolang de zaak lopend is. Verantwoording voor zijn handelen wordt door de ministers in de Staten afgelegd en afwijking kan het proces frustreren. Verkeerd geschetste beelden kunnen niet zonder meer worden rechtgezet, aangezien de gouverneur zich vanwege de ministeriële verantwoordelijkheid niet kan verdedigen en het interim-kabinet ‘politieke partijdigheid ten behoeve van eigen positie’ kan worden verweten. Mr. dr. I.L.A. (Irene) Broekhuijse Gepromoveerd in het Constitutionele Koninkrijksrecht,Universiteit Utrecht Gestudeerd aan Universiteit Utrecht, University of Cambridge, Harvard University en Oslo University
|









