| ‘De geiten, het rif en vooral het geld’ |
|
|
|
| zaterdag, 11 februari 2012 00:00 | |||
|
Elsmarie Beukenboom
Geiten en het koraalrif. Het antwoord komt direct als wordt gevraagd wat de grootste bedreigingen zijn waarmee Elsmarie Beukenboom en de door haar als directeur geleide Stinapa, de Stichting Natuur Parken op Bonaire, kampt. Boven water de verwoestende aanwezigheid van de geiten, onder water de bedreigingen van het rifkoraal. Tekst: Peter Onvlee Die geiten. Er lopen er naar schatting zo’n 12.000 rond alleen al in het Washington Slagbaai National Park, het door Stinapa al ruim veertig jaar beheerde nationale park in het noorden van het eiland. Ongeveer 5600 hectares groot; de oppervlakte van bijna 5750 voetbalvelden, bijna een vijfde deel van heel Bonaire. Van die 12.000 geiten, de helft in het Slagbaai-gedeelte en eigendom van de stichting, de andere 6000 in het Washington-gedeelte en eigendom van een particulier. Ze grazen er het grootste deel van de vegetatie weg ook. Inclusief de bodemvegetatie. En het gevolg, vooral bij de regen die er ook op het eiland regelmatig valt, erosie. Van het planten-, bomenbestand is inmiddels zo’n tachtig procent verdwenen, zegt Beukenboom. De geiten, maar ook de ezels op het eiland, vreten ook aan de cactussen. En dat heeft grote gevolgen. Zo is de cactus een van de weinige planten die in de droge tijd hun vruchten krijgen. Voedsel dus ook voor vogels, insecten, reptielen. En als er geen cactussen meer zijn, geen vruchten dus, dan zijn er ook problemen voor die vogels, insecten en reptielen. In haar kamer op Barcadera waar Stinapa haar kantoor heeft, weet Elsmarie Beukenboom wel de oplossing voor dit probleem. Een miljoen dollar zo ongeveer. Bovenop de miljoen dollar (cijfer van 2010) waarmee de stichting nu werkt. Een bedrag dat ze overigens niet tot haar beschikking heeft. Want ook al is de stichting relatief niet arm - aan inkomsten zoals de duikheffing van 25 dollar die iedereen die in of beter rond Bonaire onder water gaat moet betalen en aan entreegelden voor de nationale parken, naast Washington Slagbaai ook het marine park, haalt Stinapa op jaarbasis zo’n 900.000 dollar op - de kans dat het extra benodigde geld uit eigen middelen kan worden opgebracht is minimaal. “Maar er moet wat gebeuren”, benadrukt Beukenboom. De schade die de geiten aanrichten is enorm. “Je kan die geiten wel vangen. Maar daar zijn mensen en materiaal voor nodig. En of het ons in een keer zal lukken?” Ze betwijfelt het eerlijk gezegd. Het gaat om erg veel dieren, het terrein te groot en ruig ook. “Het duurt zeker een jaar of drie om de geitenpopulatie de baas te worden. En dan moet je het ook nog goed bijhouden.” Ze ziet meer in het inschakelen van een professionele organisatie. “Er zijn er in de wereld die dit doen, geiten vangen. Bonaire staat met het probleem namelijk niet op zich. “Ik zou graag zo’n organisatie willen inhuren, Binnen pakweg 2 à 3 weken is er dan een groot aantal gevangen. Afschieten hoeft niet eens.” Om de beesten daarna voor de slacht te gebruiken is natuurlijk een ander verhaal. “Maar dan nog is er het feit dat je mensen en materiaal klaar moet hebben staan om door te gaan. Om te voorkomen dat het probleem opnieuw ontstaat. Zolang dat echter niet kan is het gewoon geld weggooien. Dat moeten we niet willen. Vergeet ook niet dat een geit minimaal 1 à 2 lammetjes per jaar werpt.” Ze is inmiddels aan haar tiende jaar als directeur bezig, de eind deze maand 56 jaar wordende Elsmarie Beukenboom. In december 2002 trad ze als eerste directeur van de eind jaren tachtig opgerichte stichting aan. Ze koos voor de functie omdat, zoals ze zelf zegt, ze gelooft in deugdelijke, wezenlijke ontwikkeling, terwijl de natuur en cultuur van het eiland worden behouden. Maar al ruim voordat Stinapa Bonaire het levenslicht zag - evenals op de andere eilanden van de toenmalige Nederlandse Antillen - was er aandacht voor het natuurbehoud. Zo werd al in 1962 de Stichting Nationale Parken Nederlandse Antillen opgericht om de bescherming van de natuur ter hand te nemen. De eerste daadwerkelijke activiteiten van de stichting vonden op Bonaire plaats. En logisch dat de eerste resultaten daar ook werden geboekt. Met het veiligstellen van de broedplaatsen van de Caribische flamingo (Phoenicopterus ruber ruber) en het instellen van het Washington Park in 1969. Nagelaten door Julio ‘Boy’ Herrera voor de bevolking van Bonaire. Hij vond het belangrijk dat het gebied niet zou worden bebouwd en alle Bonaireanen er van zouden kunnen genieten. Het was het eerste beschermde stuk natuur op de Antillen. Daarna startten ook de onderhandelingen over de aankoop van de plantage Slagbaai. Toen er in 1979 ook voldoende financiële middelen voor waren gevonden werd de plantage aan het park toegevoegd en ontstond het huidige Washington Slagbaai National Park. In hetzelfde jaar 1979 werd, met dank aan marien bioloog Tom van ’t Hof het Marine Park van Bonaire gestalte gegeven. Het omvat het hele kustgebied van het eiland. Inclusief het op zo’n 750 meter afstand liggende Klein Bonaire. Vanaf de kant tot een diepte van 60 meter. Het hele gebied is ongeveer 2700 hectares groot, inclusief de koraalriffen, de velden met zeegras en de mangroves, de broedkamers van en voor het zeeleven. Om de riffen te beschermen en te voorkomen dat ankers van veelal zeilboten het rif kapot trekken, zijn er meer dan honderd boeien geplaatst waaraan de schepen kunnen afmeren. Niet gratis zoals op Curaçao in bijvoorbeeld het Spaanse water, maar tegen een vergoeding van 10 dollar per nacht tot een lengte van 18 meter. Het Bonaireaanse rif wordt tot het mooiste ter wereld gerekend. Het meest ongerept ook, al komt daar verandering in. “De bedreiging van het rif is een wereldwijd probleem”, weet Elsmarie Beukenboom. Of zoals Erik Meesters, tropisch marine ecoloog en verbonden aan het instituut Imares van de Wageningse universiteit het onlangs na zijn laatste bezoek/onderzoek aan Bonaire stelde: “Als alle riffen wereldwijd achteruit gaan, wat gebeurt, dan behoud je hier, relatief gezien, nog wel steeds het mooiste rif in het Caribisch gebied en blijven de duikers komen. Bonaire is sterk afhankelijk van de duikrecreanten. Het verdwijnen van het rif kan desastreuze gevolgen hebben voor het eiland.” Beukenboom onderkent dat en noemt die bedreiging van het koraalrif daarom ook in één adem met de overlast van de duizenden geiten op het eiland. Zegt: “Alles wat op het land gebeurt heeft ook effecten op het marine park. Als je de grazers op het land weghaalt verminder je de erosie, stroomt er bij regenbuien minder grond de zee in.” De bedreiging van het rif komt van meerdere kanten. De vervuiling, ook door het nog steeds niet functioneren van de waterzuivering, de (economische) druk op de kuststrook met als gevolg de nodige bouwactiviteiten, de belasting van het rif en ook het klimaat. Er wordt wel op veel plaatsen aan de aanleg van de rioleringsbuizen gewerkt, ook al is de breedte van de strook buiten Kralendijk teruggebracht van 500 tot 250 meter, maar of het er allemaal van komt? “Er zijn”, meent Beukenboom, “problemen met de financiering van de exploitatie. De aanleg, dat zit wel goed met geld uit Nederland en van de Europese Unie. Maar geld om de zuivering in gebruik te nemen en te houden? Maar hier kunnen we met z’n allen nog iets aan doen. Dat geldt niet voor het klimaat, voor de verwarming van het zeewater.” Het is ook op Bonaire te merken, dat warmere water. Een temperatuurstijging van slechts een graad kan al een vernietigende uitwerking hebben door coralbleaching, het bleken van het koraal. Als het verschijnsel langer dan een paar weken aanhoudt sterft het koraal. En ook al gebeurt het elders in de wereld ook, de gevolgen voor het duiktoerisme naar het eiland dat voor 84 procent afhankelijk is van de inkomsten van dat toerisme, laten zich raden. Elsmarie Beukenboom duikt zelf ook. Als meer dan veertig jaar, sinds haar twaalfde. “En”, zegt ze, “ik heb het slechter zien worden.” Een van de taken die ze bij haar aanstelling als eerste directeur van Stinapa in 2002 meekreeg was de professionalisering van de stichting. Het bestuur had tot die tijd de zaken draaiende gehouden en de medewerkers aangestuurd. De parken hadden hun eigen managers en er waren de nodige rangers in dienst. Beukenboom kreeg onder meer als taken mee de organisatie en de financiën duurzaam te maken. Op een (nog) hoger professioneel niveau te tillen. Dat een stichting voor natuurbeheer verantwoordelijk was evenals voor de naleving? Het was eind jaren zeventig bedacht. “Of het van Nederland was afgekeken waar ook stichtingen dit werk deden?” Beukenboom weet het niet. Wel dat het een goed idee was. Op alle eilanden ook gekopieerd. “Zoals er meer zaken van Bonaire elders op de wereld zijn gekopieerd.” Een aantal managers, rangers en tegenwoordig ook de directie kan als beëdigd buitengewoon agent van politie de nalevingstaken uitvoeren. Veel opgetreden hoeft er op jaarbasis niet echt. Zo’n tien processen verbaal schat Elsmarie Beukenboom. En de meest voorkomende overtreding? Het stropen van karkó’s, de grote kroonslak (Strombus gigas, roze vleugelhoorn of koninginneschelp). Deze weekdieren kunnen enorme afmetingen bereiken van meer dan 35 cm lang. Het aantal karko’s in de wateren van Bonaire is de afgelopen jaren dramatisch verminderd. Om de dieren te beschermen geldt er daarom al sinds 2005 een vangverbod. Ook wordt er (ook door Stinapa) veel aandacht besteed aan bewustmaking en zijn er vele acties op het eiland. De leus die hierbij wordt gebruikt is ‘Ban trese karkó bèk’. Er zijn de afgelopen periode meer acties opgestart om de lokale bevolking meer bewust te maken van deze unieke maar tevens zeer ernstig bedreigde diersoort. Shon Karkó bijvoorbeeld, een ludiek carnavalsliedje, maar ook stickers met hetzelfde opschrift als de posteractie: Ban trese karkó bèk. Het is zelfs mogelijk om een karkó te adopteren. Maar echt geholpen? De stropers zijn door de jaren heen vindingrijker geworden weet Elsmarie Beukenboom. Vroeger konden ze nog wel eens met een zak vol worden gesnapt en konden de in de schelpen zittende slakken nog worden gered. “Maar tegenwoordig wordt er op de slak gedoken en wordt ook onder water het vlees eruit gesneden. Beter een gaatje in de schelp gemaakt en de inhoud eruit gehaald. Als een stroper dan wordt aangehouden zijn ze al lang dood. In de jaren 90 van de vorige eeuw is in de Caribische regio overigens nog ruim zeven miljoen kilogram karkóvlees gegeten. De slakken zijn zeer gewild. Daarnaast wordt zijn mooie huisje hoog begeerd als maritiem souvenir. Door toedoen van jarenlange overbevissing zijn de grote kroonslakken tegenwoordig zeldzaam geworden. Op Bonaire is de karkó - een herbivoor die zich voedt met zeegras en algen - voornamelijk op de zeebodem van Lac Bay te vinden, een met mangrovevegetatie omzoomde lagune in het zuidoosten van Bonaire. De turquoise gekleurde inham, onderdeel van het marine park, is ruim 8 vierkante kilometer groot en is tevens een belangrijk foerageergebied voor zeeschildpadden. “Het gaat niet goed met de karkó”, aldus Beukenboom. Een paar maanden geleden al is haar stichting er door vissers ook op attent gemaakt dat er nu ook met zaklantaarns wordt gestroopt. “In het verleden gingen de stropers aan het einde van de dag aan het werk; als de rangers waren gestopt met patrouilleren. Maar nu moeten we dat ook ‘s avonds en ‘s nachts doen. En we doen dat. Want als die karkó straks misschien weg is komt die nooit meer terug.” Bij haar aantreden in 2002 kreeg Elsmarie Beukenboom nog een opdracht mee: de reparatie van de wegen in het Washington (parkdeel dat eigendom is van de overheid) Slagbaai (eigendom van Stinapa NA en Carmabi) Nationaal Park. Het park herbergt een scala aan leefgebieden, waaronder de duinen bij de boca’s (inhammen) aan de noordkust, de saliñas (zoutmeren), de pos (bronnen) en de berggebieden. Het park is rijk aan vogels en andere dieren, met name hagedissen en leguanen. Binnen het park liggen twee gebieden die internationaal erkend zijn als belangrijk watergebied in het kader van de Ramsar-conventie: saliña Slagbaai en het Gotomeer. Ook vanuit cultuurhistorisch oogpunt is het park van grote betekenis, onder meer vanwege de plantages en de historie van Slagbaai. Maar een veel beter wegennet is er het bijna afgesloten decennium niet gekomen. De onverharde wegen veranderen na een regenbui deels in onbegaanbare poelen. De oorzaak? Niet moeilijk: geld. Het gebrek daaraan. Beukenboom: “Er wordt hier en daar wel gezegd dat Stinapa een rijke stichting is. Maar ook dat is relatief. Pas sinds een vol jaar hebben we nu een Afdeling Natuur en Historische Waarden, in 2010 gestart. Van groot belang om de gezondheid van onze flora en fauna boven en onder water in de gaten te houden. De afdeling wordt bemensd door welgeteld één persoon. Meer is er nog niet mogelijk. Terwijl er heel veel werk ligt.” En ze noemt zaken als onderzoek, vooral op het land. Onder water willen ook buitenlandse onderzoekers graag rond Bonaire aan de slag. Als het onderzoek bijdraagt aan het beheer van het onderwaterpark wordt de wettelijk benodigde vergunning afgegeven. Boven water is de nieuwe Stinapa-afdeling nu aan de slag. Met basisstudies, noem het nulmetingen. Landvogels, trekvogels, vleermuizen en grotten. Bonaire heeft er vele tientallen van. Als geologische verschijningsvorm geven ze een beeld van de oudste geschiedenis van het eiland. Op diverse plaatsen zijn grotten voorzien van rotstekeningen, aangebracht door de oorspronkelijke Indiaanse bewoners van Bonaire. Sommige grotten bieden woonruimte aan vleermuizen of aan de blinde Typhlatia-garnaal. Vleermuizen vervullen een nuttige functie in het ecosysteem: ze vangen grote hoeveelheden insecten (waaronder muggen) of dragen zorg voor de bestuiving van bloemen, waaronder die van cactussen. De grootste bedreiging voor vleermuizen vormt de vernietiging of verstoring van hun verblijfplaatsen. Elsmarie Beukenboom: “Het onderzoek richt zich vooral ook op welke grotten ecologisch gezien nuttig zijn. Maar we willen graag veel meer doen. Maar het is steeds weer het geld. Ook voor de geiten.”
|











