Home Ñapa Ñapa ‘Indianenverhalen en ander noodzakelijk kwaad’
‘Indianenverhalen en ander noodzakelijk kwaad’ PDF Afdrukken E-mail
zaterdag, 18 februari 2012 00:00

Onzekerheid en twijfel zijn vermoeiend en dikwijls bedreigend. Met een minimum aan gegevens proberen we dan ook samenhang aan te brengen in wat we op ons pad tegenkomen. Dat doen we ook waar die samenhang er niet is of waar die (nog) niet gekend kan worden. Als het even kan, wordt een afwijking omgebogen en ingepast in een ons vertrouwd patroon. We maken zodoende aan een stuk door verhalen, zien patronen en veronderstellen verbanden, oorzaak en gevolg, negeren wat ons niet van pas komt. Neem nou het voortslepende geharrewar rond de integriteit van enkele van de Curaçaose ministers.

Tekst: Aart G. Broek

In het rapport van Paul Rosenmöller en Cees Maas (‘Doe het zelf’, augustus 2011) werd onomwonden gesteld, dat enkele van de zittende ministers niet door de screening zouden zijn gekomen, indien de gebruikelijke criteria zouden zijn gehanteerd. De heren trokken aan de bel en meenden dat ingrijpende vervolgstappen gezet dienden te worden. De regering-Schotte nam daarop het besluit om een onderzoek te laten uitvoeren door de organisatie Transparancy International naar het integriteitsgehalte van het Curaçaose bestuursbestel als zodanig. Het rapport van Rosenmöller en Maas werd zodoende feitelijk terzijde geschoven. Het bestel stond en staat feitelijk niet ter discussie en er zal geen Curaçaose minister alsnog gescreend worden. Toch toonden de verantwoordelijke Nederlandse ministers zich tevreden met deze gang van zaken.

Verhalen

Hoe weinig wij er ook van mogen weten, we ‘moeten’ er een verhaal van maken. Zo kwam mij het volgende verhaal ter ore toen ik tijdens een etentje mijn verbazing uitte over het raadselachtige verloop. Er lagen tenslotte nog meer losse draadjes op straat. Uit ministeriële corres¬pondentie aan Curaçaose zijde vernamen we dat de Nederlandse regering dreigde met interventie van enigerlei aard. Een notitie van de inlichtingendienst kwam nog in de publiciteit en bevestigde de gedachte met enkele weinig integere ministers te maken te hebben. Het Openbaar Ministerie meende echter dat geen van de ministers vervolgd zou behoeven te worden. Ik kon er geen chocolade van maken.

Ik werd als naïef weggezet door mijn tafelgenoot, daar ik zou moeten weten, dat Nederland nog vóór 10.10.10. al de zegen had gegeven aan Schotte en de zijnen! Ruim voor die datum was toch al bekend wie er als premier en ministers zouden aantreden. Evenzeer was spoedig bekend, dat onder deze ministers zich enkele discutabele personen bevonden: de inlichtingendienst weet over het algemeen zijn werk in dezen naar behoren te doen. Dit was vanzelfsprekend dan ook kennis van de zittende premier De Jongh-Elhage en van gouverneur Goedgedrag.

Een heikele zaak? Dan bel je Balkenende: niet alleen het hoofd van de koninkrijks¬regering maar vooral ook de man die - onder meer met enkele partijgenoten - jarenlang aan de nieuwe koninkrijksrelaties had gewerkt. Alex en Máxima waren de koffers al aan het pakken om het succesvolle resultaat van dit langdurige traject te vieren. Dat feestje moest en zou doorgaan. Ook al wil het Nederlandse gezegde wat anders, in de praktijk geldt toch vooral: liever ten hele gedwaald dan ten halve gekeerd. Niets zo moeilijk als op je schreden terugkeren en andermaal uitstel inbouwen. Het prestige van zittende - vooral Nederlandse - bestuur¬ders stond op het spel: ‘waardering’ dreigde ‘schaamte’ te worden: de klus kon niet geklaard worden! Dat nooit. Nederlandse ministers als losers. Bij een dergelijke bedreiging hoort een stand¬vastige houding: Geen slappe knieën. Doorpak¬ken. Er ís géén weg terug.

Wat de burger vervolgens werd voorgeschoteld, was een toneelspel om de publieke emoties te kanaliseren: het lekken van stukken, de commissie-Rosenmöller, de roep om ingrijpen van Nederland (een tank op iedere hoek in Punda?), Transparancy International, en zelfs het Openbaar Ministerie hield rekening met politiek-maatschappelijke verhoudingen. “Achter de coulissen”, zo stelde mijn tafelgenoot, “werd een ander spel gespeeld. Het kon toch niet uitgevent worden, dat Balkenende zélf Schotte en de zijnen zijn zegen had gegeven?”

Feilbaar

De weinige gegevens die we als burger hebben, forceren we in een enigszins samenhangend verhaal. Ook al is het dan een indianenverhaal. Dat verlangen zit in ons ingebakken. Het bewaren van twijfel is veel moeilijker dan een mooi ogend verhaal voor waar aannemen. We zijn geneigd om de samenhang en consistentie in wat we opmerken, te overdrijven. We willen patronen en regelmaat zien, we willen een coherente wereld, we willen geen chaos maar zien bij voorkeur causaliteit en de (goede of slechte) intenties van onze medemensen, liever een samenzwering of de hand van (een) god dan het ontastbare (nood)lot. Kortom, ‘we spontaneously construct stories that are as coherent as possible. (...), sustaining doubt is harder work than sliding into certainty’. Dit is een van de vele constateringen van Daniel Kahneman, die moeilijk tegen te spreken valt. We doen het allemaal.

Kahneman verwijst in zijn omvangrijke studie ‘Ons feilbare denken’ nergens naar de herziening van de relaties binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Ook ingrijpende zaken als de bancaire crisis van enkele jaren terug, de teloorgang van Eastman Kodak, Enron en Arthur Anderson, en zelfs de huidige financieel-economische rampspoed blijven ongenoemd. Tóch krijgen we zicht op datgene wat aan deze en tientallen andere meer of minder ernstige bedrijfs- en beleidsfiasco’s ten grondslag ligt: ons feilbare denken. Ook in het traject naar 10.10.10 heeft deze feilbaarheid ons allen parten gespeeld.

In ons denken en handelen blijken wij een stuk minder schrander en doortastend dan we ons zelf toedenken. We zijn wél heel goed in het fabriceren van verhalen en van ongefundeerde voorspellingen. Niet minder gewiekst zijn wij in het afschuiven van ons persoonlijke falen op andere (f)actoren dan ons eigen doen en laten. Samen met de in 1996 overleden Amos Tversky is de psycholoog Daniel Kahneman de grondlegger van het zogenoemde behavioral economics (gedragseconomie). Een lange reeks opmerkelijke onderzoeken en opzienbarende publicaties over ons gedrag zorgde ervoor dat Kahneman in 2002 de Nobelprijs voor de economie in ontvangst kon nemen.

De impact van deze studies begint echter eerst nu steeds meer voelbaar te worden. Kahneman en tal van collega’s schuiven met kracht traditionele gedachten over ons mensen als ‘weldenkend’ van tafel. In het Nederlandse taalgebied hebben wetenschappers als René Kahn, Victor Lamme en Dick Schwaab ruimschoots de boodschap uitgedragen, dat we ons denken en handelen echt niet ‘onder controle’ hebben zoals we menen.

Emoties

Niet alleen wordt onze ‘rationaliteit’ bijgestuurd door een scala van emoties, onze ‘emotionaliteit’ is in feite oppermachtig. We blijken slechts in beperkte mate in staat om controle uit te oefenen op ons emotionele huishouden. We laten ons er aanhoudend door meeslepen, daar het ons zwaar valt om zelfcontrole uit te oefenen en de ratio langdurig aan het werk te zetten. We kijken naar onze omgeving met een schier eindeloze reeks aan vooroordelen, vertekeningen en gevoeligheden: inmiddels ook in alledaags Nederlands ‘bias’ geheten. We gaan dikwijls volledig onder in groepsdenken: ook in het Nederlands beter bekend als ‘groupthink’. We hebben veelvuldig een ongebreideld vertrouwen in ons eigen kunnen en in de potentie van iemand waarop we gesteld zijn.

Niet minder wankel gefundeerd zijn onze rooskleurige toekomstverwachtingen, niet alleen voor onszelf maar evenzeer voor waar onze organisatie toe in staat zou zijn. Wanneer we praktisch dreigen vast te lopen in het traject dat we zo ‘weloverwogen’ inzetten, dan zijn we nauwelijks in staat op onze schreden terug te keren. Daar hoef je geen politicus voor te zijn, ook bestuurders en management hebben daar grote moeite mee - voorbeelden te over. Het valt élk van ons moeilijk om te onderkennen, dat we inschattings- en beslissings¬fouten hebben gemaakt.

Het is een waar genoegen om je door Kahneman bij de hand te laten nemen om goed doordrongen te raken van de mogelijkheden en beperkingen van ons denken en handelen. De vijfhonderd bladzijden zijn als het ware een zoektocht onder deskundige begeleiding: aangenaam leesbaar, uitdagend en uitzonderlijk lezenswaardig. De zoektocht is daarenboven zowel een les in nederigheid vanwege onze mankementen, alsook een verkwikkende prikkel tot nadenken. Wat zullen de mogelijkheden blijken te zijn om onze beperkingen te kanaliseren, ons zicht op de werkelijkheid te verbeteren, deugdelijker verhalen te maken en zodoende ook het niveau van onze besluiten te verbeteren?

Tegenspraak

Het antwoord daarop begint met een goede ‘diagnose’, zoveel is wel zeker. Die geeft Kahneman en die zouden we ons eigen moeten maken. We kunnen er direct ons voordeel mee doen om te weten wat ons allemaal aan vormen van vooringenomenheid aan- en bijstuurt. Hierdoor zal je spoedig vertrouwd zijn met begrippen als priming, achoring, framing, halo effect en loss aversion (ondanks de Nederlandse vertaling zal de Engelse terminologie wel beklijven). Die kennis en dat inzicht vergroten het begrip van onze wispelturige klanten, cliënten en kiezers.

Ongetwijfeld moet je eerst je mankementen herkennen. Helaas is Kahneman echter minder gedetailleerd over hóe we onze tekortkomingen het hoofd moeten bieden. Wél wordt duidelijk dat we met ‘inspraak’ niet zo ver komen: we praten elkaar overwegend naar de mond, vooral de hoogste in rangorde. We willen erbij horen en geen spelbreker zijn. We overschatten voortdurend de mogelijkheden van onszelf en de groep waartoe we ons rekenen. We werken vanuit een schier eindeloze reeks vooroordelen. We zullen dan ook provocatieve ‘tegenspraak’ moeten faciliteren.

Geen sinecure: het is bijzonder moeilijk om gefundeerde tegenspraak te geven: daar gaat je promotie! Het is bovenal uiterst moeilijk om tegenspraak te krijgen en te verwerken: daar gaat je aanzien! Met ‘rotte tomaten’ smijten naar je politieke tegenstander is gemakkelijk, maar daadwerkelijk ‘tegenspraak’ in je eigen partij, bedrijf of organisatie faciliteren, blijkt een uiterst moeilijke aangelegenheid. Het is echter van levensbelang.

Provocateur

Een van buiten en kortstondig aangetrokken ‘provocateur’ zou voor verschillende echelons in organisaties - waardonder politieke partijen - een heel verstandige investering kunnen zijn. Alvorens een belangwekkend besluit te nemen eerst - als ware het carnaval - de wereld op z’n kop zetten. Vervolgens nog eens het beoogde besluit afwegen. Een dergelijke ‘provocatieve’ tegenspraak had het aantal bedrijfs- en beleidsfiasco’s die hiervoor worden bedoeld, aanzienlijk verminderd. Mogelijk hadden dan na 10.10.10. toch andere partijen en politici geregeerd.

Indianenverhalen - van welke aard dan ook - voorkom je op overeenkomstige wijze door te blijven twijfelen en te blijven zoeken c.q. vragen naar meer informatie, vooral geen conclusies te trekken, en veronderstellingen te toetsen. Werkte de inlchtingendienst daadwerkelijk zo goed? Hoe weet je dat De Jongh-Elhage de Nederlandse premier belde? Wat is je persoonlijk belang om kritiek te uiten op Schotte?

Hoe het ook zij, Kahnemans werk proeft fantastisch: als een afrodisiacum zo stimulerend. Dat brengt mij op een klein vlekje. Kahneman benoemt vele manifestaties die ‘bias’ voeden, maar laat seksuele aantrekkingskracht onbesproken. Dat is jammer, want - zo weten we uit prikkelend onderzoek én uit eigen ervaring - opwinding laat besluitvorming nooit onberoerd. Dan wordt ons koop- en stemgedrag grilliger, en vergeten managers, bestuurders en politici wat hun core business is.


Daniel Kahneman, Ons feilbare denken
.
Amsterdam: Business Contact, 2011;
vertaling van Thinking, fast and slow.
Londen: Penguin Books (Allen Lane), 2011
.