Home Ñapa Ñapa ‘Het Curaçao van toen’
‘Het Curaçao van toen’ PDF Afdrukken E-mail
zaterdag, 18 februari 2012 00:00
Erwin Hypolite

Van de straat af gezien maakt Toko Otrabanda een troosteloze, vervallen indruk. Het kan ook niet anders bij een toko zonder naambord, maar wel met een ijzeren stutpaal in het midden van de donkere ingang. Toch is het de moeite waard om onder de strohoeden die aan een touw hangen naar binnen te lopen en de drieëntwintig ijzeren stutpalen plus het beperkte assortiment voor lief te nemen. En wel vanwege de aimabele, niet klein te krijgen 79-jarige winkelier Erwin Hypolite en zijn geschiedenis.

Tekst: Loeki Nicolaas Foto's: Ken Wong

Hypolites moeder Agatha begon in de jaren vijftig met Toko Otrabanda. Ze stond bekend als ‘Madam’ omdat ze op Grenada was geboren en Engels sprak. Het waren gouden tijden voor Toko Otrabanda. De winkel was een supermarket avant la lettre.

Aan het plafond hingen grote hammen en Argentijnse worsten. Achter in de winkel stonden de tonnen met varkensstaarten en varkenskoppen voor guiambo. Voorin had je gekoelde displays met peren, druiven, appels. Klanten konden bij de toko terecht voor huishoudelijke artikelen zoals stokdweilen, bezems, maar ook voor sterke drank, naaigarnituur, haarnetten en pommade.

Er stonden grote balen met maïs, bonen; de bokking en gezouten kabeljauw lagen in grote dozen verpakt. In die tijd kwamen mensen naar de winkel met een lege fles voor een mushi (1,5 deciliter) olie. Gekoelde boter werd in blokken van een pond in papier gewikkeld verkocht.

In het gebouw zat eerst een bakkerij. Hypolite weet nog hoe hij als kind in de deuropening van de bakkerij stond en toekeek hoe het brooddeeg aan lange tafels werd gekneed. Zijn familie heeft 60.000 gulden geleend om de voormalige bakkerij te kunnen kopen en verbouwen.

Eerst wilde de bank Madam het geld niet lenen. ‘We don’t do that kind of thing, ’ kreeg ze te horen. Waarop Madam hen van repliek diende en zei :”Ýou do that to whom you want to.” “Tja,”zegt Hypolite , “het ging om een vrouw, en ook nog van deze kleur. ”Hij tikt een paar keer met zijn rechterwijsvinger op de binnenkant van zijn onderarm. “Zwart. Een zwarte vrouw.” Het wordt hem allemaal teveel en de tranen biggelen over zijn wangen. Uiteindelijk kreeg Madam haar lening nadat ze aan de hand van haar bezittingen de bank overtuigde dat ze kredietwaardig was.

Carnaval

Anno 2012 is het niet meer mogelijk om boodschappen voor de hele week bij de toko te halen. De rekken zijn met elementaire producten gevuld zoals zout, melk, toiletpapier, doperwten in blik, olie, saucijsjes. Opvallend is het relatief grote aantal kleine ronde, en ook breedgerande strohoeden die in de toko staan. “Die verkopen goed”, antwoordt Hypolite op de vraag naar het waarom van de hoeden in zijn winkel. “Als mensen een folkloristisch feest geven, komen ze langs voor de kleine hoeden.” Volgens de winkelier zijn de breedgerande strohoeden erg in trek bij vissers. En met het carnaval voor de deur is er ook veel vraag naar.

Hypolite maakt zich grote zorgen om de Gran Marcha die binnenkort voor zijn winkel voorbij trekt. “Ik ben bang voor de BHOEM BHOEM BHOEM van de bas”, vertelt hij. Het houdt hem ‘s nachts wakker, de angst dat zijn winkel door de carnavalsdrukte instort en dat er slachtoffers vallen.

Ambtenaren zijn bij hem over de vloer geweest om te kijken of zijn winkel een gevaar oplevert voor de carnavalsstoet. Volgens hen kan het allemaal. Maar hij houdt zijn hart vast. Hij moet er niet aan denken dat zijn winkel instort en enorm veel menselijk leed veroorzaakt.

“Als er iets gebeurt zou dat mijn dood betekenen.”

Recordar es vivir

Drieëntwintig ijzeren stutpalen zorgen ervoor dat Toko Otrabanda, Breedestraat 184 (O) schuin tegenover de Nettobar, overeind blijft staan. Van maandag tot en met zaterdag zit Hypolite in zijn stoel achter de toonbank, tussen twee stutpalen in. Hij is moeilijk ter been en zijn leeftijd begint hem parten te spelen. Soms heeft hij het gevoel ‘dat de man die ‘s middags naar huis gaat, een andere is dan de meneer die ‘s ochtends opstond’, zo moe voelt hij zich dan.

Maar hij wil de winkel voor geen goud missen.

In zijn gammele winkel heeft hij nog contact met bekenden en vrienden van vroeger. Ook al komen er tegenwoordig minder vrienden en kennissen op bezoek nu de winkel bouwvallig is. Met hen kan hij herinneringen ophalen. “Recordar es vivir”, zegt hij.

Tegenwoordig moet de toko het hebben van vaste klanten en buurtbewoners die binnenlopen om snel iets te kopen of een babbeltje te maken.

Buurtbewoner Aubrey, gepensioneerde bewaker van het ziekenhuis, is op deze zaterdagmiddag voor een praatje blijven hangen. De radio staat met de volumeknop helemaal open op een Venezolaanse zender, waar de presentator met gedragen stem verslag doet van een militaire parade. Maar dat is een detail voor de mannen die het sportieve hoogtepunt van de jaren veertig becommentariëren.

Feyenoord

1946 Om precies te zijn. Het jaar waarin de Nederlandse voetbalclub Feyenoord Curaçao bezocht en met 4-0 verloor dankzij het voortreffelijke spel van doelman Ergilio Hato, ‘de zwarte panter’. Dat Curaçao later in hetzelfde jaar de returnwedstrijd tegen Feyenoord in Nederland met 1-2 verloor, blijft onbesproken. Wat telt is dat het eiland de Nederlandse ploeg op lokale bodem versloeg.

“En dat in een periode waarin Nederlanders op Curaçao niet veel op hadden met de zwarte bevolking. Zwarten werden gediscrimineerd”, merkt Hypolite op. Hato maakte een verpletterende indruk met de manier waarop hij de ballen tegenhield die keihard richting doel werden geschoten. “De bal ketste plat tegen Hato’s hand”, vertelt Hypolite terwijl hij met de ene hand tegen de andere hand slaat. “En hij droeg niet eens handschoenen, kun je nagaan.”

Varkensstaarten

Hypolite vertelt graag over vroeger. Zijn herinneringen bieden een inkijk in het Curaçao van toen. De tijd bijvoorbeeld waarin hij als kind met zijn rijbewijsloze vader en een ingehuurde chauffeur in een houten bus naar Banda’bou reed om hun waar te slijten. Dat was nog vóór Toko Otrabanda. Hypolites vader dreef toen een winkeltje verderop in de Breedestraat.

“De mensen op Bándabou waren arm”, vertelt Hypolite. Wie geld had betaalde, anders werd er geruild. Een patia (watermeloen) was goed voor een pond rijst. Eieren werden voor een kana (1 kubieke dm) bloem geruild. Als ze van Bándabou wegreden zat Erwin op de kist met eieren, waar zijn vader de gewichten voor de pinchi (pint) en kana tussen het zaagsel verstopt had.

In die tijd waren er nog geen weegschalen, sommige mensen sjoemelden met de gewichten. De autoriteiten controleerden streng op onzuivere gewichten. Alhoewel zijn gewichten in orde waren, wilde Erwins vader geen tijd verspillen aan onnodige controles. Op de terugweg naar de stad controleerden agenten in kaki-uniform sowieso bij Seru Chikí of je gestolen geiten bij je had.

De chauffeur is op een goede dag op staande voet ontslagen. Hij had de bus niet goed afgesloten en het vat gepekelde varkensstaarten tuimelde op straat. “De staarten rolden alle kanten uit”, grinnikt hij. Hypolite moest ze bij elkaar rapen.

Kerststal

Een oude man loopt de winkel in en vraagt om drie snoepjes uit een fles die voor minder dan een kwart gevuld is. Een andere, eveneens oudere bezoeker bestelt een pilsje. “Vroeger was hij een bolleboos, altijd de eerste van de klas. Tegenwoordig is hij de eerste als het om alcohol gaat”, merkt de winkelier droogjes op.

De ironie wil dat klanten die de winkelier vroeger negeerden omdat hij zwart was en kroeshaar had, hem tegenwoordig correct behandelen als ze één sigaret komen kopen. De discriminatie die Hypolite ondervond, komt weer ter sprake.

Zijn familie woonde naast een blank, rijk gezin. “In mijn tijd had je nog geen kerstbomen. Met de kerst versierden de rijken hun huis met een kerststal van porselein. Ze nodigden buren en familie uit om de kerststal te bekijken en moscatelwijn te drinken.” De buurvrouw had hem en zijn broers uitgenodigd.

Maar ze moesten wel vroeg komen. Tegen negen uur in de ochtend. De broers gingen op hun paasbest gekleed, moeder had de kinderen in bad gestopt en daarna met kokosolie ingesmeerd. Het bezoek duurde niet lang.

De broers kregen een stuk taart en wat te drinken. Daarna zei de buurvrouw dat ze weg moesten. “Ze joeg ons gewoon weg, alsof we kippen waren die je wegjaagt.”

Thuis aangekomen ging hij op het balkon van hun bovenwoning zitten. De blik op het huis van de buren gericht. Er kwam een grote auto voorgereden met blanke, groenogige kinderen.

Ze stapten uit en gingen bij de buren naar binnen. Het feest barstte los. Hij bleef op het balkon zitten met de vraag waarom hij eerder weg moest. “Waarom moest ik weg terwijl het feest nog niet begonnen was?” Zoveel jaar na dato valt hij nog stil als hij aan het voorval terugdenkt.

Teloorgang

Tijdens de gouden periode stonden er zeven winkelmeisjes achter de toonbank. Er waren drie kassa’s. Tegenwoordig is het behelpen met vaste bezoekers die op Hypolites instructies een klant helpen of klusjes klaren. Sommige klanten mogen zelf achter de toonbank lopen en iets uit het rek halen.

Een jonge vader trekt zijn kind wat ongeduldig aan de hand de winkel mee in. De vader maakt een babbeltje met de winkelier en vraagt om een fles bleekmiddel. De klant mag het zelf pakken. Maar het gaat mis als de man op zijn wisselgeld wacht. Hypolite telt het wisselgeld rustig uit en krijgt van de jonge vader de wind van voren. “Je verdoet mijn tijd man, hier met dat geld.”

De vader grist het wisselgeld uit handen van de winkelier en loopt boos met zijn kind weg, Hypolyte gekwetst achterlatend. Tot ergernis van Claudette, een vaste bezoekster uit de buurt die het gedrag van de jonge vader als respectloos omschrijft.

De klad is er volgens Hypolite door de jaren heen ingeslopen. Toko Otrabanda moest ineens opboksen tegen de komst van grote supermarkten zoals in Colon. Vroeger konden werknemers van de Shell op krediet kopen bij Madam. Maar de Shell begon op Suffisant met een eigen toko waar werknemers op krediet konden kopen. Tevens overleed Madam, de drijvende kracht achter de winkel. Na haar overlijden besloot Hypolite, die toen een paar huizen verderop een ijzerhandel dreef, om terug te gaan naar de toko waar hij al eerder had gewerkt.

Zonder vrees

Het is onzeker wat er in de toekomst met de toko gaat gebeuren. Hypolites familie heeft daar wel ideeën over, maar hij geeft geen details. Een ding lijkt wel zeker. Niks of niemand krijgt hem zomaar weg. Het is immers de man die nadrukkelijk ‘geen schijn van vrees’ zegt te hebben op de vraag of hij ooit is overvallen, of hij bang daarvoor is. “Geen schijn van vrees”, herhaalt hij.

Een overval is hem bespaard gebleven. Een tijd terug is hij pal in de deuropening gaan staan toen een boze man hem met een steen belaagde. Hypolite had gezien dat de man, een buurtgenoot, bij de buurman iets stal. Hij kende de man en vertelde aan de buurman waar de dief woonde. De dief kwam later verhaal halen en wilde hem met een steen te lijf gaan. “Kom maar op”, zei Hypolite en versperde de ingang. “Val maar aan met die steen.” Uiteindelijk droop de belager af. “Je kunt overvallen worden, ze kunnen je doden. Maar één ding moet je nooit doen: chicken out.”