Home Ñapa Ñapa Hella Haasse: Ook posthuum verrassend
Hella Haasse: Ook posthuum verrassend PDF Afdrukken E-mail
zaterdag, 19 januari 2013 00:00

Wat een verrassing: vier onbekende verhalen van Hella Haasse, nu kortgeleden, een jaar na haar overlijden, in de bundel Maanlicht verschenen. Voor liefhebbers van Haasse prachtig nieuws. Alhoewel de hand van Haasse in iedere zin waarneembaar is, zijn deze op nog jonge leeftijd geschreven verhalen een beetje anders dan het andere dat ze schreef. Het eerste verhaal schreef ze toen ze pas 20 was. We kennen Haasse als de veelzijdig getalenteerde bedachtzame dame van de Nederlandstalige literatuur.

Tekst: Brede Kristensen

 

Hier leren we haar kennen als een jonge schrijfster die met trefzekere overtuiging uitdrukking geeft aan haar magisch-realistische beleving van de wereld. De spontane vlotheid waarmee ze geschreven zijn doet denken aan haar debuutnovelle Oeroeg (1948). Maar Oeroeg was een maatschappij-kritisch verhaal. Die zijde van haar schrijverschap is weliswaar nooit verdwenen, maar toch geleidelijk naar de achtergrond gedrongen, terwijl haar gevoel voor de magische dimensie van de werkelijkheid meer naar de voorgrond kwam. Altijd knap doordacht en complex gelaagd. Nu maken we kennis met de jonge magisch-realistische Haasse en dat betekent een nieuwe leeservaring. Ze vormen de opmaat voor de novelle ‘De verborgen bron’ uit 1950 en zoveel ander, later werk.

Dikwijls heeft ze het erover gehad: haar fascinatie voor het raadselachtig mysterieuze van de werkelijkheid. ‘Dat heeft te maken met mijn jeugd in Indië, met de ondoorzichtige sfeer, de mysterieuze natuur’, zei ze in een interview met Aleid Truysens. Of dit inderdaad typerend voor Indië is, betwijfel ik. Eerder denk ik dat het te maken heeft met opgroeien in twee culturen. Zij, een meisje met een Nederlandse achtergrond, groeit op in Indië, in een cultuur die in zoveel opzichten anders is. Ik stel me haar Indische vriendin voor. Ze kan het prima vinden met Hella, maar ze voelt dat er in het leven van Hella krachten werkzaam zijn die zij niet kent. Dat maakt hun vriendschapsrelatie zo boeiend en bij tijd en wijle misschien ook een beetje huiveringwekkend. Als Hella dan later naar Nederland afreist om te studeren, krijgt ze Nederlandse vrienden en vriendinnen, die op hun beurt natuurlijk merken dat Hella iets in zich draagt dat ze niet kunnen plaatsen, dat hun begrip te boven gaat. Uiteraard is er altijd sprake van onbekende krachten in de ander die wij ontmoeten. Elkaars achtergonden kennen we slechts ten dele. Gelukkig. Anders zou het leven saai en vlak zijn. Opgroeien in een dubbele cultuur versterkt dat effect in hoge mate. Dat is bedreigend en uitdagend. Haasse is de uitdaging op creatieve wijze aangegaan.

In het eerste verhaal met ‘Een verhaal’ als simpele titel, spreekt de ik-persoon de lezer als ‘vreemdeling’ toe. We krijgen een soort bekentenis te horen van een jongeman die woont en werkt in de buurt van een oude stad. Op een avond betreedt hij de oude stad met oude huizen en straatjes, met een geheimzinnig verleden. ‘De stad scheen mij een levend wezen, een schone donkere reuzin, lang uitgestrekt op aarde, met om hals en lendenen guirlandes van lampen; ze lachte met dipe stem, haar adem ruiste als de zee, in haar oren zwaaiden witte kegels van zoeklichten’. Terwijl de wind stil naast hem voortkruipt - mooi beeld van relatieve stilstand - ontmoet hij een vreemde, die hem lijkt in te wijden in het verborgen leven. Ze horen muziek die tot dansen aanspoort en ze ontmoeten de muzikanten, gemaskerden, onechte wezens zich tooiend in het veelkleurige gewaad van het kwaad. Langzaam dringt het tot hem door dat hij zich in een grot bevindt en dat de muzikanten eigenlijk met andere dingen bezig zijn dan muziek maken. Ze regelen hun duistere zaakjes. Later, na een doorwaakte nacht, besluit hij het demonische dansfeest van de wereld de rug toe te keren om zich te vestigen op een eiland waar het ruisen van de zee de muziek van de wereld overstemt. Ons, lezers, stelt hij gerust. Wij hoeven daar niet te blijven. ‘Een schip zal ons ophalen’.

Misschien dat ze niet goed raad wist met deze adolescente afkeer van de wereld. Naar alle waarschijnlijkheid wilde ze het verhaal later nog eens onder handen nemen om te perfectioneren. Ze liet het liggen in een ‘witte map’ van nog te redigeren werk. De map werd nooit gevonden, maar wel heel veel los onvoltooid werk, waaronder deze vier voltooide, maar niet geperfectioneerde verhalen. Wat mij betreft is het prima zo. Die kleine onvolkomenheden en die soms weinig subtiele, jeugdig-kritische kijk op de wereld, vind ik juist zo charmant. Eigenlijk Haasse op haar echtst. En een voorbode van wat nog komen zou.

‘Landschap in olieverf’ zal geïnspireerd zijn door de magisch-realistische schilderkunst van Willink met verlaten huizen en omineus kijkende figuren tegen een achtergrond van betoverend gekleurde luchten. Het is een verhaal vol onbestemde dreiging, dat ze in 1946 had willen publiceren als een korte novelle. Vanwege het trieste overlijden van haar dochtertje is dat er nooit van gekomen. Heeft ze het verhaal voor of tijdens de ziekte geschreven? We weten het niet. Een vrouw, Eunice, stapt met haar jonge echtgenoot een oud landhuis met een nukkige schoonmoeder binnen. Een schilderij trekt haar aandacht, met bloemtrossen die ‘gloeiden in vreemd zonlicht, de laatste stralen die nog door wolken dringen voor een onweer losbarst. In datzelfde licht waren de bomen van het landschap... verzadigd groen, haast fonkelend tegen de horizon’. In datzelfde schilderij een man, lijkend op haar echtgenoot, ‘met een ontbladerde roos in een verstoorde hand’. In het verhaal dat volgt wordt de betekenis van deze schilderijelementen op tragische wijze werkelijkheid. Alsof ze zeggen wil dat we dingen die komen gaan kunnen voorvoelen. We ‘zien’ het allemaal eerder, als in een schilderij. De evocatieve kracht van dit verhaal is groot.

‘Maanlicht’ gaat over een geheimzinnig huis, een thema dat Haasse in haar leven regelmatig zal variëren. In dit verhaal komen we zinnen tegen, eveneens sterk evocatief, die ons vertellen waarover zij het in later werk zal hebben. Ze beschrijft de aandacht opeisende sfeer in het huis. ‘De klok tikte, de koperen lichtkrooon schommelde, de schaduwen bewogen. Met het vallen van de avond werd de stilte absoluut. De stilte kreeg persoonlijkheid. Voor mij onzichtbaar bewoog ze door de kamer en spon een magisch web, waarin ik verward raakte, even hulpeloos gebiologeerd als het slachtoffer van een spin’. Het is niet bedoeld als griezelverhaal. Zo beleefde zij de werkelijkheid, mysterieus en gevaarlijk voor wie niet op zijn hoede is. Maar altijd zijn er de voortekenen. Het is een kwestie van opletten, kijken, nadenken, verbanden leggen, maar ook van wegdromen zodat de diepere lagen van de magische werkelijkheid langzaam tot ons kunnen doordringen. Alleen door daarin door te dringen leren we onszelf beter kennen. Even later schrijft ze over de vergelijking van de stilte met het web: ‘toen de vergelijking me inviel, ging er een schok door mijn halfverdoofde zenuwen’. De hoofdpersoon ontwaakte, letterlijk en figuurlijk.

In het laatste verhaal verschijnt een Hella Haasse-achtige hoofdpersoon Laura Eskes, die wil loskomen van haar ziekelijk-heerszuchtige moeder en van haar kleurloos bestaan. Ze zoekt naar een tegenwicht en gaat op reis. Maar het lijkt alsof ze passief op een wonder wacht, dat voor haar de betekenis heeft als een vlucht uit de werkelijkheid. Ze logeert in een vreemd pension met wel buitengewoon vreemde gasten, in een verlaten streek in Schotland, met woeste bergen en still meren. Van de gastvrouw, mevouw Caulder begrijpt ze niets. Waarom verzorgt ze zulke door het leven getekende gasten? Ze ontdekt dat mevrouw Caulder vindt dat zij het werk van haar moeder moet voortzetten. Ze is de tegenhanger van Laura. In het verhaal zijn de dialogen vluchtig, maar toch niet zonder betekenis. Uiteindelijk vindt Laura er een zekere rust terwijl ze ‘eigenlijk toch niets bijzonders beleeft’.

Ik moet zeggen heel blij te zijn met deze posthume publicatie van haar vroege verhalen. Behalve dat het interessante verhalen zijn, geven ze een duidelijk beeld van de persoon Hella Haasse, van wat haar beweegt, van haar zoektocht naar zin en betekenis van de geheimzinnige werkelijkheid die ook in ons is. In vrijwel iedere roman van haar, merkt de lezer dat hij in wezen een vreemdeling is die zich in een vreemd huis bevindt. Maar Hella Haasse wilde niet te confronterend zijn. Wilde het leven ook voor zichzelf leefbaar houden. Ze zorgde er altijd voor dat er wel ergens een schip was dat de lezer kon ophalen, terug naar het vertrouwde.

Alleen voor de liefhebber van Hella Haasse, voor lezers die genoten van de verhalen uit het in 2006 verschenen ‘Het tuinhuis’? Het zou me niet verbazen als mensen die moeite hebben haar te waarderen juist door deze vroege verrassende verhalen, een beetje onaffe schetsen zou ik zeggen, ontdekken welk een groot schrijfster zij eigenlijk was.

 

Hella Haasse

Maanlicht, 2012

De verhalen zijn bijeengebracht door Patricia de Groot.