Home Ñapa Ñapa Waarom atheïsten niet zonder religie kunnen
Waarom atheïsten niet zonder religie kunnen PDF Afdrukken E-mail
zaterdag, 26 januari 2013 00:00

Waarom atheïsten niet zonder kunnen. Ik bedoel: niet zonder religie kunnen. Homerus stelde reeds vast dat mensen de goden niet kunnen missen. De Talmud maakt ergens een uitzondering: behalve mensen die vol van zichzelf zijn. Ik zou niet willen beweren dat een atheïst per definitie vol van zichzelf is. De meeste atheïsten geloven eenvoudigweg (dat is hier het juiste woord) niet aan een hoger wezen die de bron van alles is, noch aan de mogelijkheid van een goddelijke openbaring. Maar dat neemt het merkwaardige feit niet weg dat mensen waar ook ter wereld er altijd religieuze ideeën op nahielden, religieuze instellingen in stand hielden en religieuze ervaringen meenden te hebben. Hoe verklaar je dat?

 

Tekst: Brede Kristensen De standaardverklaring is dat religie functioneel is voor de mentale en de sociale gezondheid van mensen en samenlevingen. Een van de grondleggers van de sociologie August Comte beweerde dat met grote stelligheid en aangezien hij niet alleen atheïst maar ook een praktisch mens was, trok hij de voor de hand liggende conclusie: als de christelijke godsdienst bezig is ten onder te gaan, is er dus een nieuwe religie nodig, eentje voor atheïsten. Zo besloot hij zelf een religie te ontwerpen en die vervolgens te praktiseren met zichzelf als zelfbenoemde hogepriester in de hoofdrol. Daar is hij sindsdien vreselijk om uitgelachen. Sindsdien zeggen veel atheïsten en agnosten dapper tegen zichzelf dat je maar moet zien te leven zonder god en zonder hogepriester. Een teken van volwassenheid, wordt vaak daaraan toegevoegd. Alsof religieuze mensen in een kinderlijk stadium zijn blijven steken en geen moeite doen volwassen te worden. Tegenwoordig wemelt het van echte en half-echte atheïsten in de wereld, die dergelijke opvattingen koesteren. Is het toeval dat er nog nooit in de geschiedenis zo’n, laten we zeggen kinderlijke, behoefte aan ‘leiders’ is geweest? Die vrolijk misbruik maken van de bewondering die hen ten deel valt. Terwijl de criminaliteit, toch ook een teken van onvolwassenheid, hand over hand toeneemt.

Kerkjes als venstertjes

Een halve eeuw geleden deed de Engelse socioloog David Lyon vergelijkend onderzoek naar criminaliteit in Engelse woonwijken in grote steden. Zelf woonachtig in een Londense achterstandswijk met veel criminaliteit, vroeg hij zich af of het sluiten van een kerkgebouw van invloed was op de criminaliteit. Dat vermoedde hij. Inderdaad, de cijfers gaven een duidelijk statistisch verband te zien. Wijken met kerken bleken veiliger dan wijken zonder. Bij mijn weten hebben bestuurders hiermee nooit iets gedaan. De laatste jaren kom ik veel in Boekarest, de hoofdstad van Roemenië. De oude stad beslaat een oppervlak zo groot als Oostpunt. Vroeger telde de stad 1200 kerkjes. Nicolae Ceaușescu, de communistische dictator van Roemenië, streefde ernaar iedere maand minstens een van de kerkjes met de grond gelijk te maken. Omdat hij in 1989 werd geëxecuteerd, heeft hij zijn sloopwerk niet kunnen afronden. Er zijn nog bijna 900 kerkjes over. In vrijwel elke buurt een. De meeste kerkjes zijn overdag open. Mensen lopen in en uit, steken een kaars aan, bidden en biechten en kussen de icoon van hun geliefde heilige. In tegenstelling tot de moderne wijken eromheen is het oude gedeelte opmerkelijk veilig. Ieder kerkje is als een venstertje naar de hemel. Even de blik naar buiten of naar boven richten om te beseffen dat het leven meer is dan overleven met hulp van geld, macht en aanzien. Is het daarom dat het oude Boekarest in weerwil van alle armoede en misère, relatief veilig en rustig is?

Denk serieus

Alain de Botton, bekend om zijn gave in kristalheldere taal spijkers op hun kop te slaan, heeft in zijn nieuwste boek de vraag gesteld of een gezonde samenleving zonder religie mogelijk is. Zijn ‘Religion for Atheists’ is een origineel en zeer belangrijk boek, over de vraag hoe een geseculariseerde samenleving de sociale functies kan vervullen die traditioneel door religies werden vervuld. De Botton is zelf atheïst. Hij neemt aan dat het universum niet door een Schepper tot stand is gekomen, die zich tot op de dag van vandaag met het leven van mensen bemoeit. Opgegroeid in een geseculariseerde joodse familie, merkte hij aan zijn ouders dat zij niet zonder enkele joodse rituelen konden. Dat zette hem aan het denken. We kunnen stellen dat religies louter menselijke bedenksels zijn, maar ondertussen vervullen zij functies die van vitaal belang zijn voor ons persoonlijke en sociale leven. Neem zoiets als gemeenschapszin. Wat komt daarvan terecht in onze individualistische cultuur? Netwerken en serviceclubs dienen in de eerste plaats het eigen belang. Om iets in een sportclub en professionele organisatie te betekenen, moet je jezelf eerst bewijzen. Waar vind je buiten de familie nog aanvaarding en erkenning om wie je bent, niet om wat of hoe je bent? In de kerk, synagoge, moskee of tempel is in principe ieder mens welkom. Het zijn plaatsen van totale inclusiviteit. De Botton wijst in dat verband op wat Augustinus de zonde van de ‘superbia’, de hoogmoed noemde, de arrogantie van de trots die diepe ravijnen tussen mensen slaat. De open communicatie, van essentieel belang voor terugkoppeling, reflectie en ontwikkeling, wordt vrijwel onmogelijk. Angst, afgunst, wantrouwen en geweld liggen aan gene zijde van het ravijn op de loer. Religieuze wereldbeschouwingen en rituelen laten weinig heel van onze arrogantie. Is er, buiten justitiële instellingen, een institutie in onze geseculariseerde maatschappij te bedenken die, zonder te dreigen met straf, korte metten met onze arrogantie maakt? Dat zijn de vragen die De Botton aan de orde stelt. Hij nodigt ons uit serieus over onszelf te leren denken, dus ‘vanuit de erkenning van onze nietigheid’. De rest is hoogmoedige verbeelding.

Beelden en rituelen

We realiseren ons te weinig van welk psychologisch belang veel religieuze opvattingen zijn. Luister naar de adviezen van Boeddha en Pascal die in zijn ‘Pensées’ net als Augustinus pleit voor een realistisch zelfbeeld met andere levensdoelen dan aanzien en rijkdom. Hoeveel mensen lopen niet met zwaarmoedigheid rond omdat ze hun onzinnige idealen niet kunnen realiseren en de ene na de andere psycholoog om raad vragen? Ze voelen zich tekort schieten, of ze voelen zich achtervolgd door schuldgevoelens. We kunnen de biechtpraktijk nu wel ridiculiseren, maar gaan we dan niet al te gemakkelijk voorbij aan de voordelen ervan? Of neem het mikvah-ritueel, de onderdompeling in water om met een schoon gemoed verder te kunnen in het leven. In het verlengde daarvan kun je ook denken aan Yom Kipoer, de grote verzoeningdag binnen het Jodendom, wanneer mensen spijt betuigen voor het verkeerde wat ze hebben gedaan en zich ook met elkaar verzoenen, waardoor de weg voor samenleven en samenwerken opnieuw wordt geopend. Omdat erkenning van eigen falen centraal staat, betekent Yom Kipoer een belangrijk tegenwicht in onze tijd waarin de meeste mensen zichzelf graag centraal stellen.

Het boek van De Botton staat vol met voorbeelden van religieuze ideeën en praktijken uit de grote wereldgodsdiensten, die aantonen dat religies zo gek nog niet zijn. Het meest verrassend vond ik zijn interpretatie van de betekenis van beelden en iconen. Kijk, zegt hij, als kind hebben we allemaal behoefte aan een knuffeldier of een knuffellap. Zonder knuffel naast ons willen we niet slapen. Die knuffel dichten we eigenschappen toe die voor ons kinderlijke welzijn van cruciaal belang zijn. Als we volwassen zijn doen we hetzelfde met ons Boeddhabeeld, of met afbeeldingen van geliefde heiligen. Dat het hier niet om een grapje gaat, toont hij aan met een foto van het bureau van Freud waarop een hele rij beeldjes van Assyrische, Egyptische, Griekse en Romeinse goden staan, die hij kennelijk prettig vond in zijn nabijheid te hebben.

Tegen het einde van zijn boek gaat De Botton in op de werking van architectuur. Zoals er gebouwen zijn die een fysiek en mentaal verziekende werking oefenen, zo zijn er ook gebouwen die gezondheid, gemeenschappelijkheid en creativiteit stimuleren. En gebouwen die ons herinneren aan de religieuze dimensie van het leven. Wat mij betreft had hij hier aandacht kunnen schenken aan Oscar Niemeyer, de beroemde Braziliaanse architect die als geen ander begreep dat gebouwen niet louter een functionele opeenhoping van stenen zijn. Gebouwen kunnen de uitdrukking zijn van een dialoog met de medemens, de natuur en met het oneindige en die dialoog ook bij de gebruiker ervan stimuleren. Datzelfde geldt voor de publieke ruimte. Dat is precies wat De Botton eigenlijk ook wil. Zeker geen terug naar een ouderwetse religiebeleving, wel naar een culturele leefomgeving, die ruimte biedt aan belangrijke religieuze gebruiken die van groot sociaal belang zijn.

Wat staat ons te wachten?

‘Religion for Atheists’ is een origineel boek. Niet dat zijn ideeën nooit eerder naar voren zijn gebracht. Toen de godsdienstsociologie nog niet in de ban was van empirisch geverifieerde informatie, heeft David Martin vaak gesteld dat de samenleving enorme baat heeft bij functies die de geïnstitutionaliseerde religie vervult. Psychologen als Rollo May en Paul Tournier (van oorsprong arts) konden zich moeilijk voorstellen hoe mensen mentaal gezond zouden kunnen blijven zonder religieuze ankers. Maar het is De Botton die voor het eerst met een integrale argumentatie uiteenzet waarom de geseculariseerde samenleving niet of moeizaam functioneert zonder religieuze instituties en ervoor pleit naar seculiere alternatieven te zoeken. Er is een belangrijk punt dat hij daarbij negeert. Waarom konden religies deze sociale functies effectief vervullen? Had dat niet te maken met de aard van onze motivatie? Om het ouderwets te zeggen met ‘ontzag voor de allerhoogste’? Of moderner: met een gevoel voor het heilige, het onkenbare, het oneindige? In combinatie met de overtuiging dat het leven zonder God zinloos is, of, zoals Dostojevski het formuleerde, dat ‘zonder God alles is geoorloofd’? Zullen de seculiere alternatieven die door De Botton worden aangewezen, effectief zijn? Ik betwijfel het. En ik vind dit ook het zwakste gedeelte in zijn boek. Een geloofwaardig seculier alternatief wordt niet geboden.

Dat neemt niet weg dat het boek buitengewoon stimulerend is. Ik zou denken dat iedereen die vanuit zijn werk te maken heeft met maatschappijontwikkeling dit boek bovenop zijn leeslijstje zou moeten plaatsen. Om te beginnen religieuze leiders die na lezing ervan andere accenten zullen leggen in hun werk en veel interessante ideeën zullen opdoen. Daarnaast politici, maatschappelijk werkers, politiemensen, stedenbouwkundigen, architecten en nog veel meer beroepsgroepen. Of atheïsten zich erdoor voelen aangesproken weet ik niet. In ieder geval schudt ‘Religion for atheists’onze geseculariseerde geest stevig door elkaar.

Alain de Botton, Religion for Atheists, 2012 (Nederlandse vertaling: Religie voor atheïsten, 2012)

Alain de Botton