Home Ñapa Ñapa Op zoek naar een verloren tijd
Op zoek naar een verloren tijd PDF Afdrukken E-mail
zaterdag, 09 februari 2013 00:00

Tekst: Brede Kristensen Laatst kreeg ik van een familielid de roman Vader van Karl Ove Knausgård cadeau. In Noorwegen is deze roman, het eerste deel van een 3000 pagina’s lange romancyclus, een bestseller. Een op de twee huishoudens heeft hem gelezen of ongelezen op de plank staan.

Dankzij de ene vertaling na de andere begint Knausgård ook buiten Noorwegen grote bekendheid te genieten. Zijn inspiratiebron is Marcel Proust (1871), de auteur van de evenveel pagina’s tellende cyclus Op zoek naar de verloren tijd, soms de belangrijkste roman van de 20e eeuw genoemd. Wonderlijk zoals het kan lopen.

Marxisten en Amerikanen hebben nooit echt van Proust gehouden. Proust haalt de geschiedenis terug. Alsof hij de vooruitgang wil tegenhouden. Dat past niet bij hun streven de geschiedenis achter zich te laten en een nieuwe samenleving te bouwen. In Europa is Proust echter helemaal terug van weggeweest. Bovendien zijn er nu drie Europese schrijvers die in zijn voetspoor lopen. Naast Knausgård heeft in Nederland Oek de Jong naar aanleiding van zijn pas verschenen Pier en Oceaan verklaard dat Proust zijn inspiratiebron is. In Roemenië wordt de indrukwekkende romancyclus Orbitor (Verblinding) van Mircea Cărtărescu met Proust vergeleken. Enzovoort.


Wat is hier aan de hand?

Vanwaar die intense belangstelling voor het verleden als een verloren tijd die we moeten zien terug te vinden? We hebben het niet zomaar over een historische interesse. Dus niks geen toeristisch gewandel door de geschiedenis om er genoegen aan te beleven of om lesjes te leren en te voorkomen dat we de fouten van de geschiedenis herhalen. Nee, het gaat om iets existentieels, alsof onze identiteit op het spel staat. Als we geschiedenis zeggen, dan zeggen we dat vandaag anders is dan gister en dat morgen weer anders zal zijn. Discontinuïteit dus. Sinds mensenheugenis hebben we geleefd in de overtuiging dat alles wat gebeurt herhaling is, dat er niets nieuws onder de zon is, dat verandering schijn is. De joods-christelijke traditie bracht daarin verandering. Maar de eerste die het idee van een geschiedenis uitwerkte, was de kerkvader Augustinus (354). Daarom is hij de vader van de moderne tijd. Augustinus begreep direct dat geschiedenis discontinuïteit betekent en dat discontinuïteit de integriteit van onze identiteit op het spel zet. Hij vraagt: zijn er drie verschillende tijden? Een tijd van het verleden, een tijd van het nu en een tijd van de toekomst? Is het leven discontinu? Al veranderen we tijdens ons leven, toch ervaren we onszelf als persoon als continu. Dan komt hij met deze sublieme formulering: “Ja er zijn drie tijden, maar je moet het zo zien, het tegenwoordige van het verleden, het tegenwoordige van het nu en het tegenwoordige van de toekomst.” (Belijdenissen 11, XX)

Deze gedachte lijkt me een meditatie waard. Ieder moment van ons leven hebben we met het verleden en met de toekomst te maken, met herinnering en verwachting. Ook onze individuele existentie heeft een historisch karakter. Doen alsof ons verleden er niet toe doet, is zoiets als een weg oversteken en doen alsof er geen auto’s rijden. Dat loopt niet goed af.

De laatste eeuwen zijn we hyperactief bezig geschiedenis te maken. Dat betekent dat er steeds meer gewerkt moet worden aan herinnering om het ongemak van de discontinuïteit minstens te verzachten. Freud en Jung begrepen dat heel goed. Marcel Proust ook. Identiteit is zo ongeveer het omgekeerde van een id-nummer. Identiteit is historisch en moet dus actief onderhouden worden. Daarover schreef hij 3000 pagina’s vol, herinneringen ophalend en over herinneringen reflecterend. Het is geen roman die je zomaar leest. Als lezer word je voortdurend uitgedaagd zelf ook te reflecteren en iets te doen tegen de ‘verstrooiing van onze identiteit, met het doel ons leven te intensiveren’.


Geschiedenis de rug toekeren
?

Nadat we onder leiding van communisten en Amerikanen de geschiedenis de rug toegekeerd hebben en ons zijn gaan inzetten voor een betere toekomst, hebben mensen die hun verstand gebruiken na alle politieke debacles van de 20e eeuw ook hun hoop op een glorieuze toekomst verloren. Geen wonder dat we onzeker worden over onze individuele en collectieve identiteit en ons weer met herinneringen bezighouden. In tegenstelling tot bomen kan je mensen gemakkelijk verplaatsen. Voorwaarde is dat we het verleden continu een plaatsje in het heden geven. Zoals we ook continu verwachtingen over de toekomst hebben.

Daar liggen ze nu: drie dikke proust-achtige pillen, in het Noors, Nederlands en Roemeens. Dikke pillen, zeker voor de helft te dik, maar wel slikbaar. Serieuze pogingen de verleden tijd terug te halen en in het nu een plaats te geven. Jazeker, maar ook nog iets anders. Alle drie werken, de een sterker dan de ander, lijken ook door vergankelijkheid geobsedeerd. Daar dacht Proust anders over. Hij zocht naar waardering van het leven, zij het zonder het eeuwigheidsperspectief waarin Augustinus zijn zoektocht plaatste.


Karl Ove Knausgår
d

Even op een rijtje zetten. Karl Ove Knausgård (1968) windt nergens doekjes om. Hij is openhartig persoonlijk op het provocerende af. Onverbloemd rakelt hij zijn leven op. Straight voor zijn raap. Soms is het alsof hij zijn onderbewuste alle ruimte geeft om te spuien. Dat lukt hem goed omdat hij zegt ‘geen shit om zichzelf te geven’. Paradoxalerwijs lijkt dit de enige weg om bij jezelf te komen, bij je eigen geschiedenis. Met lak aan Hitler heeft hij deze cyclus van 3000 pagina’s Mijn strijd genoemd. De thema’s van de eerste delen, Vader en Liefde, staan in het teken van de vergankelijkheid ervan. Zijn afwezige vader, die hem maar wat laat aanmodderen en tenslotte van zijn eigen leven een totale puinhoop maakt, werpt hem terug tot de essentie van zijn bestaan. Hij ziet zichzelf als een hopeloze lafaard, die eigenlijk ook niet tot veel meer dan aanmodderen in staat is en zijn tranen onmogelijk kan bedwingen als hij met de dood van zijn vader geconfronteerd wordt, met de oorsprong van het leven. Dan de ervaring van liefde, die altijd weer wegneemt wat ze ooit heeft gegeven. Is dat niet wat steeds gebeurt? Niemand kan iets bezitten. Zelfs het mooiste wat we vinden is vluchtig, anders dan we dachten, ontsnappend aan onze drang tot behoud.

Bij vlagen kwam dit lange autobiografische relaas saai en vermoeiend bij mij over. Maar ik kan me voorstellen dat het veel lezers iets doet, want momenten van herkenning zijn er volop. Vooral in culturen waar het met de eerlijkheid niet zo goed gesteld is, kan Knausgård als een bom inslaan. Op Curaçao bijvoorbeeld. Iedereen zou het hier moeten lezen. Vooral mannen. Het zal ons helpen eerlijker naar onze collectieve en persoonlijke geschiedenis te kijken.


Oek de Jon
g

Acht jaar lang werkte Oek de Jong (1952) aan zijn prachtig geschreven magnum opus Pier en Oceaan, met veel overbodige en saaie passages. Hij durfde een ik-verhaal niet aan en koos voor meer afstand. Hoe zou hij de intieme geschiedenis van zijn eigen ouders kunnen vertellen? Het werd de geschiedenis van een alter ego, Abel, zijn ouders, zijn moeder vooral en zijn streng gereformeerde grootouders, lijdend onder veel huiselijke agressie. De invloed van de ene op de andere generatie loopt als een rode draad door de 800 pagina’s heen. Niemand die eraan kan ontsnappen, ook al lijkt iedereen dat te willen.

Achtergrond is het Nederland van de jaren 50 en 60 en de Zeeuwse kust, met de in zee stekende pieren. De titel Pier en Oceaan is ontleend aan een schilderij van Mondriaan. Eigenlijk een mystiek schilderij, over onze menselijke en mannelijke constructies, gedoemd om uit te lopen en op te lossen in oceanische oneindigheid.

Het mystieke van Mondriaan treffen we in de roman helaas niet aan. Soms komt het gevoel voor mysterie geforceerd om de hoek kijken. Als Abel zich dromerig herinnert hoe hij ‘over de palen in zee was gelopen en dacht aan het gevoel van mysterie dat hem daar had bevangen, alsof hij aan de grens van een andere wereld was gekomen. Roerloos stond hij daar en probeerde iets op te vangen uit een andere wereld, en toen wilde hij verdwijnen. Er was niets gebeurd’. Juist, het leven van Abel ging weer zijn eigen door gereformeerde frustraties en driften vervulde gang. Zonder enig gevoel voor mystiek. Met een fijn gevoel voor details beschrijft hij wel hoe geen van de hoofdpersonen in staat is bij zichzelf te komen. Iedereen blijft een vreemde voor zichzelf. De communicatie tussen de hoofdpersonen is hopeloos problematisch. Abel zoekt naar de grenzen van zijn bestaan, naar een andere wereld buiten die grenzen en merkt uiteindelijk dat die andere wereld in hemzelf ligt. Het begin van serieuze aandacht voor de andere dimensie van ons bestaan? De Jong zegt er niets over. De weg naar het verleden loopt bij De Jong uit op een besef van een andere, onkenbare wereld.

Beide zijn door en door realistische romans. Voor Knausgård is dat genoeg. Voor De Jong niet en juist dat maakt dat de lezer met een ongemakkelijk gevoel achterblijft. Is het zijn gereformeerde achtergrond die verbiedt meer achter de dingen en gebeurtenissen te zien, die iedere heenwijzing naar een hogere wereld wantrouwt? De Jong is duidelijk geen Mondriaan. Pier en Oceaan is een geschiedenis zonder begin en zonder einde, die ook ‘100 jaar eenzaamheid’ had kunnen worden genoemd.


Mircea Cărtăresc
u

Mircea Cărtărescu (1956) is als schrijver uit geheel ander hout gesneden. Tussen 1996 en 2007 publiceerde hij de drie delen van Orbitor, Verblinding, waarvan er nu twee in het Nederlands verschenen zijn. Een overrompelend werk in een schitterende vertaling. Cărtărescu denkt terug aan de tijd dat hij als klein ventje door het raam van het flatgebouw waar hij opgroeide, uitkeek over het naargeestige Boekarest. Alles wat oud was, moest tegen de vlakte onder het motto van dictator Nicolae Ceaucescu ‘altijd vooruit’.

Verblinding is een verbijsterend prozagedicht over de vergankelijkheid van alles wat was. De afbraak van huizen en buurten, van oude mensen, ja van die oude besjes die met kromme rug zich voortslepen door de straten met een zak appels en tomaten om hun leven te rekken,van zijn eigen jonge doch regelmatig zieke lichaam en van vlinders, die evenmin een eeuwig leven beschoren zijn, al lijken de verblindend mooie kleuren eeuwigheid te suggereren.

In paginalange barokke zinnen wordt tot in minuscule details bezongen hoe de ontbinding plaatsgrijpt tot op het moleculaire niveau. Cărtărescu lijkt op een mol die door het onderaardse kruipt, geobsedeerd door de daar plaatsgrijpende ontbindingsprocessen. Ergens duikt een sekte op, de ‘wetenden’, die beseffen dat groei en ontbinding, leven en dood, opbouw en afbraak onafscheidelijk ineen zijn gevlochten. Ieder moment van ons leven bevat beide. Eigenlijk weet iedereen dit. Daarmee zijn we terug bij af, bij de tijd voor Augustinus toen geschiedenis niet bestond. Is Cărtărescu een voorbode van een radicaal nieuwe periode die de mensheid tegemoet gaat? Hebben we onze buik vol van de geschiedenis gekregen? Is er straks alleen nog maar een NU?

Bespreking van ‘Orbitor’ vraagt meer ruimte. Ter gelegenheid van de verschijning van deel drie in Nederlandse vertaling, zal de Amigoe uitvoerig aandacht besteden aan dit uitzonderlijke werk.


M. Cărtărescu, Orbitor, 1, 2, 3. (1996-2007), Nederlandse vertaling, De wetenden (2010), De trofee (2012.
)
O. de Jong, Pier en oceaan (2012)
.
K.O. Knausgård, Min Kamp 1, 2 Nederlandse vertaling Vader (2011), Liefde (2013)
.