Home Ñapa Ñapa ‘Gedichten zijn gedachten die ik deel’
‘Gedichten zijn gedachten die ik deel’ PDF Afdrukken E-mail
zaterdag, 16 februari 2013 00:00

Roselyn Jobse-Jessurun heeft haar vierde poëziebundel met de klinkende titel Rais Ankrá gepubliceerd. Deze poëziebundel verschilt door de luxe manier van uitgave van eerdere publicaties van de dichteres. Rais Ankrá wordt verluchtigd met prachtige en aansprekende, functionele illustraties door de lokale beeldend kunstenares Minerva Lauffer. Ook bevat de bundel tekeningen van de dochter van de dichteres, Elise, en van de dichteres zelf.

 

Tekst: Liesbeth Echteld foto: Ken Wong Op mijn vraag, hoe de dichteres op het idee kwam om Minerva Lauffer te benaderen voor de illustraties, steekt Jobse van wal. “Minerva Lauffer, die ik al jaren ken, is, net als ik, afkomstig uit een muzikaal gezin, en dat zorgde voor een band. Ik had altijd bewondering voor haar kunstwerken, die niet alleen op lokale exposities, maar ook op exposities in het buitenland ten toon zijn gesteld. Ik besloot om Minerva de nog niet geïllustreerde conceptbundel in te laten zien, waarna zij zich door de inspiratie die zij opdeed na het lezen van de gedichten, liet leiden. Het resultaat was ernaar. De tekeningen vormen een ware symbiose met mijn gedichten. Ik benaderde vervolgens Clarence Simon van Varia Marketing and Advertising, die voor mij het concept op een professionele manier drukklaar heeft gemaakt voor de lokale drukkerij De Curaçaosche Courant.”

 

Ik merk op dat Rais Ankrá, wat betreft het combineren van tekeningen met gedichten, niet op zichzelf staat in de recente lokale dichterstraditie. Zo gingen stemmige tekeningen van de beeldend kunstenaar Jose Maria Capricorne steeds vooraf aan de gedichten voor Violette, door José M. Eustatia, in Afscheidsgedichten voor Violette (2001), uitgegeven door de Stichting Libri Antilliani.

 

De bundel van Rose Jobse, verschijnt ruim twintig jaar na Mini Falchi III (1987). Laatstgenoemd werk maakt deel uit van de toentertijd in eigen beheer uitgegeven serie Mini Falchi. Later verschenen ook twee gedichten van de dichteres in het lokale, cultureel maatschappelijke multiculturele en meertalige tijdschrift Kristòf (jaargang XI, 3), ‘Treinbom’, en (jaargang XII-1), ‘Pordon’ en publiceerde zij, in 2011, twee gedichten ‘Mama’ en ‘Viktoria’ in de bundel Riba e trapi literario, uitgegeven door de Fundashon Artescrita, die als oogmerk het bevorderen van het Papiamentu heeft.

 

“Eerst was ik van plan om deze nieuwe bundel ook de titel Mini Falchi (een schat aan gedichten onder mijn rok) te geven. De bekende dichteres Lucille Berry-Haseth adviseerde mij echter om de nieuwe bundel een andere naam te geven. Zo is na kort en diep nadenken gekozen voor de titel Rais Ankrá, die krachtig en duidelijk de geest van deze tijd aangeeft, passend bij de ontwikkeling waarin de Curaçaoënaar zich thans bevindt. Ik beoog met het boek vooral ook de jeugd en jongvolwassenen te bereiken om ook zo bij te dragen in hun vorming.”

 

Alvorens ik inhoudelijk nader op de bundel van Jobse inga, voorziet zij mij van nog meer relevante achtergrondinformatie. Zo vervolgt zij: “Ik schreef in mijn vroege jeugd niet alleen gedichten, maar ik verzorgde samen met mijn broers en zussen en mijn moeder, Angela Jessurun-Simon, ook voordrachten en sketches op de radio en de televisie. Ook waren wij op het gebied van muziek actief. Een van deze muzikale activiteiten uit de jaren zeventig, die nu nog vers in het geheugen van menigeen gegrift staat, is ons ‘Do re mi’-optreden (uit de ‘The Sound of Music’) op Curaçao. Ons gezin bleek perfect geschikt voor het vertolken van de rollen van de zeven kinderen Von Trapp uit deze wereldbekende musical. Mijn moeder vertolkte tijdens de laatste lokale presentaties van dit stuk, de rol van de hoofdpersoon Maria.”

 

Op mijn vraag, wat de beweegredenen van haar zijn om gedichten uit te geven, zegt zij: “Het werd in de loop van de jaren bij verschillende mensen op Curaçao, maar ook, tijdens mijn studietijd, in Nederland, bekend, dat ik gedichten schreef. Dit had tot gevolg dat, toen ik door de vereniging voor Antillianen in Tilburg, als studente bedrijfseconomie aldaar, bevraagd werd met het verzoek om enkele van mijn gedichten voor te dragen, ik vervolgens steeds meer soortgelijke verzoeken kreeg, zowel in Tilburg als daarbuiten. Ik reisde met mijn groep Solamar onder meer naar Den Bosch, Den Haag, Arnhem en Apeldoorn. Ik werd gevraagd, ook op Curaçao, voor mijn voordrachten en door mij geschreven en geregisseerde sketches, en ik heb ook een musical geschreven en geproduceerd. Gedurende die optredens vroeg men mij steeds vaker naar een bundel met mijn gedichten. Dit was de aanleiding om enkele van mijn gedichten te bundelen.”

 

“Mijn eerste bundel bevatte gedichten in het Papiamentu, Nederlands en Engels. Daarna kwam het verzoek van bezoekers van mijn voordrachten voor een Nederlandstalige gedichtenbundel. Die had ik nog niet. Ik heb toen mijn Nederlandstalige gedichten gebundeld en heb zelf ook enkele van mijn oorspronkelijk in het Papiamentu geschreven gedichten naar het Nederlands vertaald.”

 

Rose Jobse: “Gedurende de vakanties op Curaçao besloot ik, op advies van mijn vader, langs te gaan bij de bekende dichter Elis Juliana. Ik deed dit met een open ‘mind’.

 

Elis Juliana had op de zaterdagochtend een radioprogramma voor kinderen, waar ook ik naar luisterde. Hij vertelde mij dat mijn moeder hem na zijn uitzendingen vaak opbouwende kritiek gaf of een compliment maakte. Na het overlijden van mijn moeder in 1980, wijdde hij in zijn radioprogramma enkele minuten aan haar leven.

 

We namen niet alleen mijn gedichten kritisch door. Het werden vruchtbare en leerzame uren, discussiërend en filosoferend over allerlei onderwerpen. We spraken over het recht in de wereld, over de politiek en over het slavernijverleden. Die gesprekken hebben mij helpen vormen in denkwijzen. Elis Juliana gaf mij als suggestie om veel te blijven lezen en gedichten te blijven schrijven. Een belangrijke uitspraak van hem, die mij in verband met het schrijven van gedichten is bijgebleven, is: ‘zeg veel met weinig woorden’.”

 

“Elis Juliana adviseerde mij om ook met mijn gedichten bij Lucille Berry-Haseth langs te gaan. Zij zou er immers met andere kritische ogen naar kijken. En dat bleek. Ook Berry had een radioprogramma, maar op de zondagochtend, waarin zij verhalen en voordrachten ten gehore bracht en waar ik trouw naar luisterde en veel van heb geleerd. Dit geldt trouwens ook voor de radioprogramma’s van wijlen Eddie Pieters Heyliger, Echa Palabra en voor de nog elke werkdag om half zes in de ochtend te beluisteren radioprogramma’s van de dichteres Maria Diwan, Den Kibrá di Mardugá. Zij besteedt aandacht aan de lokale en internationale geschiedenis, aan proza en poëzie, aan ‘vergeten’ of verloren gegane woorden in het Papiamentu, geeft gezegdes en overige informatie mee uit de eigen cultuur. Ik zeg altijd, ‘ze geeft ‘kuminda pa na kaminda’.”

 

“Mijn belangrijkste drijfveer om gedichten te schrijven is inspiratie. Ik zet, ingegeven door die inspiratie, woorden op papier. Ook komt het voor dat iemand mij vraagt voor een bepaalde gelegenheid een gedicht te schrijven, zoals ik hiervoor al aangaf. In dat geval ga ik er speciaal voor zitten. Ook kan een niet geplande ontmoeting reden zijn om een gedicht te schrijven. Zo schreef ik een gedicht voor May Henriquez, toen ik haar, nadat haar man Shon Max was overleden, tegen was gekomen. Shon May straalde een enorme kracht uit ondanks het verdriet dat achter haar ogen schuil ging door het gemis van haar echtgenoot. Ze was sterk en menselijk tegelijk. Haar witte haren sierden haar gezicht als een kroon, op haar fier en dienstbaar geheven hoofd. Ook vormde mijn studieverblijf in Nederland een inspiratiebron.”

Als voorbeeld een fragment uit het gedicht ‘Holland’ (2012: 97):

 

‘(...)

Je hebt me gevormd,

Je hebt mij veranderd.

Gedeeltelijk verdwenen zijn

mijn Caribische banden.

In mijn cultuur en gewoontes

ben je gefiltreerd.

In mijn denken en wonen

heb je me mede geïnspireerd.

 

Holland, ik ben niet die ik was.

(...)’

 

“In het begin liet ik al mijn gedichten rijmen. Naderhand werd het rijmen, ondergeschikt aan de boodschap in het gedicht.”

 

Aan de gedichten gaat een ‘Dedikatoria’ vooraf, die al richtinggevend is voor een van de in de bundel aangeroerde thema’s, de familie en familiebanden. De 37 gedichten, die in de inhoudsopgave genoemd worden, waarvan 32 in het Papiamentu, 4 in het Nederlands en 1 in het Engels, hebben een sterke relatie tot het familieleven. Andere thema’s zijn het streven naar harmonie en liefde in het algemeen, bijvoorbeeld liefde voor alles wat te maken heeft met Curaçao. Het streven naar de eigen identiteit is daarbij belangrijk.

De broers en zussen van de dichteres worden in de ‘Dedikatoria’ met naam en toenaam genoemd en haar ouders, de onder meer in de lokale onderwijs- en schermwereld alom bekende Antonius en Angela Jessurun-Simon, die de dichteres bij haar artistieke aspiraties ondersteunden. Dit brengt ook Aida Martina in het voorwoord onder de aandacht. Tevens is er een verwijzing naar echtgenoot Paul, aan wie een gedicht wordt gewijd (‘Di kurason’ 2012: 55) en naar hun beider dochters. De gedichten, ‘Krioyo’, ‘Mama Baranka’, ‘Dediká’, ‘Su balor’ (2012: 15, 19, 47, 49), draagt Rose Jobse op aan haar moeder. Het gedicht ‘Mama’ (2012: 51) is opgedragen aan alle moeders en in het bijzonder aan moeders met drugsverslaafde kinderen. Het gedicht ‘Tata’ (2012: 87) alsook ‘TataMama’ (2012: 89), is opgedragen aan haar vader. De dichteres spreekt in de ‘Dedikatoria’ bovendien waardering uit voor allen die haar op de een of andere manier hebben geholpen om de bundel tot stand te brengen. Ze gaat nader in op de inbreng daarbij van wijlen Nydia Ecury.

“Nydia Ecury inspireerde mij als mens en specifiek als vrouw. Ze woonde vlakbij, op de berg. Ik bewonderde haar kracht en werk. Ik heb momenten met Nydia Ecury beleefd, waarop zij op haar manier, haar ervaringen als dichteres, die de kunst van het dichten verstond, met mij deelde. Nydia Ecury was een perfectioniste. Zij was scherp en nam geen genoegen met halfslachtige dingen. Ik zit op die golflengte, dus dat bevestigd te krijgen, was voor mij een geweldige ervaring.”

 

Op mijn vraag aan Jobse wat voor haar een goed gedicht is, en aan welke eisen een gedicht volgens haar dient te voldoen, zegt zij: “Het gedicht dient de lezer te pakken, kort, krachtig en diepgaand te zijn. De lezer moet zich erin herkennen, de boodschap begrijpen en er iets mee kunnen.”

 

Celeste Jobse, de dochter van Rose, die als hobby het schrijven van krachtige spreuken heeft, wordt in de bundel toepasselijk geciteerd met ‘Thoughts are as powerful as you want them to be’.

Rose Jobse: “Gedachten krijgen kracht door ze te verwoorden in gedichten. Gedichten zijn gedachten die ik deel met de lezer.”

 

Het eerste gedicht van de bundel, ‘Krioyo’, bestaat uit vijf strofen van drie versregels. De liefde voor alles wat krioyo is wordt vooral in de eerste strofe en in de middelste strofe (de kern van het gedicht) krachtig onderstreept: ‘Bo ta e personifikashon di Kòrsou,/di nos kultura,/mi kultura/ (...) Kaminda mi a nase,/krese, hari, yora, konosé fèrdrit./Kaminda mi a laga e hende ku a pari mi’. (2012: 15).

 

In het verhalende gedicht ‘Identidat’ (2012: 21) probeert de ik-figuur zich tevergeefs aan te passen aan een hem vreemde omgeving. Uiteindelijk blijkt integratie niet mogelijk door het steeds sterker opspelende ritme van de tambu: ‘Tambú a papia’. Bovendien is er een categorie gedichten waarin de ik-figuur, vanuit elders, verlangt naar Curaçao, getypeerd als ‘Mama tera’. Met die gedichten lijkt de dichteres te willen onderstrepen dat het van belang is dat degene die van het (ei)land emigreert, er uiteindelijk ook weer naar terugkeert. Beschrijvingen van de markt, ‘Marshe’ (2012: 59) zijn beeldend: ‘(...) Mei mei dje bèlnan e saya, hala ariba un tiki,/pa tira bista riba e makutu i e barí,/yená ku piska: korá, kòrtá mulá na mochi,/masbangu, pintá purunchi/sin sunchi e karkó banda di dje’.

In ‘Mundu’ (2012: 25), wordt eerst het onrecht in de wereld beschreven, waarna het gedicht wordt afgesloten met een verwijzing naar een wereld van vreugde, geluk en liefde. In dit gedicht wordt duidelijk geïllustreerd hoe de meeste gedichten van de dichteres zijn opgebouwd. Er wordt in een heldere, directe stijl een boodschap verwoord, die met een afsluitende kernachtige zin de lezer wakker schudt.

Een gedicht dat qua vorm, stijl en inhoud opvalt, is ‘Elisa vida mía’, dat niet in het Spaans geschreven is, zoals de titel wel doet vermoeden, maar in het Nederlands.

Dit gedicht doet door de titel onmiddellijk denken aan een versregel uit een herdergedicht, Egloga 1 van de Spaanse dichter uit de Renaissance, Garcilaso de la Vega: ‘Quien me dijera, Elisa, vida mía,/cuando en aqueste valle al fresco viento/andábamos cogiendo tiernas flores (...)’. Op mijn vraag aan Jobse, of deze associatie van mij juist is, antwoordt zij:

“In mijn studententijd zag ik de film Elisa, vida mía van de inmiddels bekende Spaanse regisseur, Carlos Saura. De film ging over een liefdesrelatie, die tot een eind kwam. Ik was zo geïnspireerd en onder de indruk van het verhaal dat in de film werd uitgebeeld, dat ik dit gedicht schreef. Ik kon er geen andere titel aan verbinden noch voor verzinnen.”

Na deze woorden rond ik het interview af, waarbij ik in de overtuiging gesterkt ben dat zij in de toekomst door zal gaan met het vastleggen van haar inspiratie in gedichten.

 

De dichtbundel Rais Ankrá is verkrijgbaar bij boekhandel Mensing’s Caminada en boekhandel Bruna te Zuikertuintje of kan telefonisch besteld worden via nummer 6916229 tussen 10.00 en 18.00 uur.