Home Ñapa Ñapa De vodkadrinker
De vodkadrinker PDF Afdrukken E-mail
zaterdag, 28 januari 2012 00:00
Kunstenaar: Marcel van Duijneveldt Titel: The Bridge Techniek: Olieverf op canvas Afmetingen: 123 x 200 cm Jaar: 2010

‘Toch geloof ik vandaag dat ik aan de betrekkingen met mijn hel een einde heb gemaakt. Het was wel degelijk de hel; de oude waarvan de poorten door de zoon des mensen geopend werden’

 

Arthur Rimbaud

Uit: Une saison en enfer

Hans Vaders Het maakt de oude verlopen vodkadrinker, die eens op dit tropische eiland een hovaardig, gevierd en geliefd kunstenaar was, allemaal niet zo heel erg veel meer uit. Alle denkbare verlangens in zijn lange leven zijn immers reeds lang uitgekomen, bevredigd en vaak uiterst zorgvuldig en doelmatig afgestraft, waarna hem zijn zonden weer barmhartig werden uitgewist.

 

En toen was er ook nog de zwijgzame Chinees, behoedzaam en wantrouwig op pad naar zijn lotsbestemming, die hem als een Boeddha gezeten in de kleine doorrookte coupé van de exprestrein in hartje Siberië de ogen opende. De Chinees op zijn eigen individuele spoor naar de Siduhebrug, een sierlijke stalen boog subtiel geconstrueerd 472 meter boven de kolkende Sidu-rivier.

 

De vodkadrinker schurkt zich ‘s nachts in zijn zelfgecreëerde coma aan tegen de onbaatzuchtige met pure liefde gegeven warmte van de vijfjarige Juanita, die in het eerste prille ochtendlicht altijd knippert met de korte wimpers van haar alwetende bruine ogen en hem daarna vol aandacht in zijn onrustige slaap urenlang observeert. Elckerlyc met strafbaar minderjarig gezelschap, maar het was per slot de Chinees in de sneeuw die hem het meeste intrigeerde, het meeste overtuigde van zijn volle gelijk, de Chinees op weg naar zijn eigen zelfverkozen en favoriete brug.

 

De volgende donkere regenachtige ochtend schemert nog ver weg in deze morse stad van veelkleurige huizen van plezier en dito snèks waar de vodkadrinker bijna nooit meer kan komen om zich te verlustigen aan lichaam, lijf en ziel. Een vervreemd ogende stadswijk met van regenvocht en ochtenddauw verzadigde palmen gezien vanaf zijn vermolmde door houtrot aangevreten balkon.

 

De vodkadrinker zit vrijwel roerloos met een Bloody Mary in de trillende hand in zijn natte kapotte rotanstoel. Hij beziet vertrouwde doch druipende flarden van feestvlaggen, standbeelden van vroegere vileine slavenhouders en voor de stromende regen onder een luifel schuilende, gedeprimeerde Amerikaanse cruisetoeristen.

 

De stad toont zich nog veel treuriger dan het defecte flikkerende achterlicht van de eenzame verduisterde nachttrein die in een felle sneeuwjacht in Novosibirsk het schaars verlichte perron met schijnbaar ongewisse destinatie verlaat, met als enige reisgenoot in de kleine coupé een zwijgende naar knoflookworst en okselzweet stinkende, belastingvrije Camels rokende Chinees met een vergeeld, brokkelig en vereenzaamd gebit.

 

Hier is weer Tayshet, de koude rivier genaamd, zijn volgende pleisterplaats, de goelag van Oserlag en Angarstroy, ontmoetingsoord tussen Oost en West waar onder iedere houten biels een dode Duitser of dito Japanner het lankmoedige sterven ontbeerde. Het gefluit van de locomotief toont zich schril in de snerpende kou als een murwgeslagen zwerfkind in Lima met een ijslolly als troost, als de hoogmoed van de overspelige abt die zijn witte zwaan op het rooster geketend en door het vuur geblakerd ziet.

 

De reis voortgezet. De vodkadrinker biedt de zwijgzame Chinees, op weg naar zijn exclusieve rivier, de halfvolle fles vodka aan en buigt. Hij buigt zich diep als voor een kameraad, een tijdelijke boezemvriend. Daarna stapt hij uit de vertrekkende trein en verdwijnt in de aanwakkerende sneeuwjacht in de warme holte van het dankbare en veilige boerendorp waar een literfles zelfgestookte vodka slechts een halve dollar kost.

 

De vodkadrinker heeft in zijn door klok, uur, minuut en seconde bepaalde leven nog maar bar weinig te doen en evenmin van dit summiere bestaan veel goeds of bijzonders te verwachten.

 

De uittree van het bed met stramme reumatische ledematen en disfunctionerende ribben waarin het heftige regenseizoen wreed de hoop op spoedig herstel heeft uitgekerfd, de bureaustoel op wankele wielen en de metalen stok waarmee hij langzaam door zijn appartement voortschuifelt, de vele foto’s van zijn inmiddels al vele jaren dode vrouwen die zijn werktafel omcirkelen als hartstochtelijk beleefd maar onherroepelijk en onbeschrijfelijk verleden, door de voorttikkende tijd verzacht en in zijn geest met zorg gewist, de schittering van het sublieme aura van de oprukkende staar, de verblinding die in zijn weke groene ogen heerst.

 

Zeer is de invalide wodkadrinker gesteld op zijn Icarus, een bok in vrije val geschoten, die op een bijzettafeltje staat. Icarus de hoogmoedige, de arrogante vogelmens die dacht te kunnen vliegen met vleugels van de in een felle verblindende Griekse zon smeltende bijenwas.

 

Alleen zijn betekent niet per se dat je eenzaam bent of je zo dient te voelen, meent de eenzame vodkadrinker en als soelaas is er altijd nog die welkome geïmporteerde literfles Stolichnaya uit de staatsfabriek in Moskou, de glorieuze stad waar in de gure wintermaanden onderkoelde zwervers op blazende verwarmingsroosters van de Yaroslavky Terminal samenhokken, spiritus drinken en als doodzieke onmachtige lentevogels opeens omvallen in hun kartonnen vodkadoos op weg naar hun nieuwe warme behuizing, hun zomerse dacha verhuld in hemelse pracht.

 

Nee, de vodkadrinker houdt niet van Poolse, Finse of Zweedse vodka, of van het product uit het perfide Engeland van de voor de Bolsjewieken gevluchte renegaat Vladimir Smirnoff. Allemaal te modieus gestookt surrogaat.

Dat wordt duidelijk wanneer hij zijn verzorgster, een knappe suikerzieke Haïtiaanse uit Port-au-Prince, de vreemdelingenbarak van Koraal Specht ontvlucht, zijn dagelijkse urgente verlanglijst aan boodschappen geeft voor de supermarkt van Arti in de Breedestraat: Stolichnaya, Stolichnaya moet het zijn. Een adequaat medicijn tegen opspelende koorts en pijn, tegen herinnering en vage droom aan een val uit het paradijs en het daaruit voortvloeiende leven en de terreur van het moment dat slechts kan aanzetten tot opstandigheid en zelfreflectie.

 

Daarvoor, bijna in een onwerkelijke andere dimensie voor de vodkadrinker, waren er de glas-in-loodramen met taferelen van Brabantse en Achterhoekse kerken, bronzen borstbeelden van fier naar boven blikkende, inmiddels allang hemelende roomse religieuzen, de visioenen van haat, de matglanzende plavuizen op lange gangen gestut door kunstig neogotisch boogwerk, waardoor geharde medici hun weg zochten naar een volgende spoedreparatie.

 

Met draden gesnoerd aan allerhande apparatuur, gekoppeld aan een luttel aantal infusen en geketend aan een drain die via de oksel naar de linkerlong loopt, tonen de warme nachten zich buitengewoon lang en ongekend bizar voor de vodkadrinker. De buis van de sonde trekt bij iedere beweging de opstandige gevangene van het lot van het bed en weer terug op de van zweet doorweekte kussens. De maanloze nacht lijkt aan Vietcong en Rode Khmer toe te behoren die vanuit duistere onderaardse stellingen met handgranaten komen aangekropen en zijn denken beheersen in een wonderlijk, maar ook enigszins angstaanjagend kleurenspektakel; hij, de schier afgeleefde vodkadrinker, speelt de hoofdrol in een felle overbelichte film die de smalle ziekensponde naar alle kanten in duizeling doet wentelen, kantelen en keren.

 

Enfin, de vodkadrinker is zwaardere pijnstillers dan de drank nu eenmaal niet gewend en compleet gedesoriënteerd wordt in zijn troebele ogen de kleine overzichtelijke kamer in het oude ziekenhuis tot een groot, machtig en dreigend imperium van schimmen en geesten van zijn decadente voorouders, zijn medestanders, dat zweeft en pulseert in zijn verwarde hoofd. Voilá, dit moet dus Jeroen Bosch ‘revisited’ zijn, het ‘multicolored beast’ van Neil Young, de ‘apocalypse now’ van Marlon Brando, de flinterdunne spitse snor van Salvador Dalí, en bovenal de bittere en hallucinerende nasleep van een landing, door Juanita, de jankende vogelteef, met haar immer bedroefde bruine ogen vanaf het balkon gadegeslagen.

 

Alles neemt zijn tijd en wellicht zijn keer. Hij, de vodkadrinker, leeft in gedwongen isolement in gezelschap van zijn chiwhawha, met een helicoperview op grote in wind en regen ruizende palmen, de keurig gesnoeide heggen van het Kurá Hulanda hotel, de natte kleurvolle Willemstraat en in de verte de contouren van de Julianabrug waar voor iedere potentiële vogelmens in het beton van de baai binnen zes seconden een pijnloze verlossing wacht, de moedige kandidaat en hoofdrolspeler volkomen genegeerd door langssnellende politiewagens en ambulances met hun zwaailichten en snerpende sirenes op weg naar het antieke hospitaal.

 

Dat uitzicht vanaf zijn balkon was er natuurlijk altijd al, maar nu totaal anders beleefd als in een déjà vu en in een dermate vertrouwde sfeer die een zekere mate van vrijheid zou kunnen worden genoemd. Dit blijft voorlopig de beperkte wereld waarin het opstaan na de nacht nog steeds zeer pijnlijk aanvoelt en ‘gewone’ dagelijkse beslommeringen opeens van zeer complexe aard en cruciaal belang blijken te zijn.

 

Terug naar de basis, het opnieuw hervinden van zijn hectische volle leven. Planning is het credo voor de veroordeelde libertijn. Het uitdenken van een dertigtal eenvoudige trucs per dag, want alle huisgerief staat weliswaar op z’n vaste plaats, maar reikt te hoog of is net iets te ver weg, de koelkast draait verkeerd open en het maken van een kop koffie in de ochtenduren neemt met de snelkoker ruim een kwartier in beslag in plaats van de gebruikelijke drie minuten.

 

Met zijn bureaustoel op wielen spoedt de vodkadrinker zich duizelig in hoofd en hart, maar met hoge snelheid, als in een ver verleden en betere tijd met zijn Datsun 280 ZX op Highway 62 en over het gladde asfalt van de Nieuwe Havenweg, door zijn appartement, want zijn rechterbeen functioneert ter hoogte van de dij niet naar wens: de gehandicapte vogel van de Frederikstraat. Daar heb je geen elektronische enkelband voor nodig om zijn voorzichtige bewegingen te controleren die niet veel verder reiken dan de deur. Zijn gezonde uiterlijk is slechts schijn, klatergoud uit het labyrint van Kreta waar de Minotaurus vol gramschap op hem wacht. Maar de vodkadrinker is in zijn mythe in dit labyrint in gedachten reeds lang, reeds lang geleden voor eeuwig gearriveerd.

 

Hij is schier onsterfelijk en luistert tevreden naar de gestaag neerstromende regen die indirect als een hongerige rijstrat aan zijn gehavende botten knaagt. Hij denkt na over die vuile oorlog die in zijn hart, longen en skelet woedt, over de nieuwe frisse operatiejurk en kraakheldere lakens, de kannen slappe thee, de vele glazen juice, de bezoekuren, de prikken om de bloedsomloop gaande te houden, de röntgenfoto’s, de drain die minder goed werkt, de noodzakelijke medicatie drie maal daags, het opnemen van bloeddruk, temperatuur en polsslag - ook in het holst van de nacht - en de totale ontluistering, de ontreddering van de vliegende mens wanneer hij op eigen verzoek met drain en al ontkoppeld dient te worden van het apparaat en het veilige maar te kleine bed, om achter gazen gordijnen zijn behoefte te doen.

 

Het moet bijna vijf uur in de namiddag zijn geweest en alles wordt plotseling inktzwart. Behalve die hinderlijke flitsende lichten die zorgen voor een opkomende sensatie, de trage nachttrein naar Wladiwostok met als enige reisgenoot een suïcidale constant boerende en bloed opgevende Chinees die hij uit erbarmen, uit pure mensenliefde, zijn halflege fles aanreikt. Enige claustrofobie is de vodkadrinker in zijn onverwarmde niet verkozen reisruimte dus niet vreemd. Hij heeft het koud, krijgt het steeds kouder op de stalen stellingen in een witte kamer waarin een striemende sneeuwjacht giert. Een chirurg snijdt in zijn oksel en plaatst en passant een drain. Hij voelt zich tijdloos, weggeleid naar een onvernoemd en vergeten eiland van paranoia.

 

Het laatste actiemoment van de hulpeloze Canadese paratrooper wiens parachute zich op D-Day boven Normandië niet meer zo majestueus als voorheen ontplooit. Het kasseienplaveisel voor de dorpskerk, een rode baai van hard water zonder mededogen, transformeert hem in zes seconden tot het witte kruis op een anoniem oorlogskerkhof.

 

Zo moet de vodkadrinker ook zijn geland, wellicht gracieus, vol bravoure en optimisme, vijf meter recht naar beneden door een gapend gat van door regen en zon aangevreten vermolmd hout, een achterstallige onderhoudsbeurt blijkbaar niet waard. Zijn horloge, een rode Swatch, functioneert nog, zoals het horloge van wielrenner en geletruidrager Wim van Est, ‘de beul van het Heike’, de kasseienvreter, na zijn zware val in een ravijn bij de Col d’Aubisque in de Tour de France, achteraf ook nog functioneerde, en zijn verloren tijd op de koplopers, de uren, minuten en seconden nauwkeurig aan bleef geven. ‘Mijn hart stond stil, maar mijn Pontiac liep als een trein in het holst van mijn persoonlijke nacht’.

 

Eén gebroken rib per afgelegde meter is geen slecht resultaat voor een vodkadrinker. Hoewel, immobiel blijft liever tijdelijk immobiel. De vodkadrinker heeft meer haast gekregen, een ongekende haast. Zoals iedereen haast heeft wanneer hij tijdloos denkt te kunnen leven in die aanlokkelijke schimmenwereld van Bosch, Young, Brando en Dalí.

 

Het lot valt maar moeilijk te accepteren. De vodkadrinker weet uit ervaring dat het lot de uiteindelijke uitkomst van alles is, niet afhankelijk van gebeurtenissen die daaraan vooraf gingen, want die situeringen zijn in hun aard onvermijdelijk en niet te veranderen of terug te draaien. In een serie van veel of weinig, van min of meer, van kruis en munt, blijkt de volgorde onderling inwisselbaar ten einde toch bij de door het lot gewenste finale uitkomst, de fataliteit, te belanden.

 

Het is een verkeerde perceptie dat een individu zijn eigen lot kan beïnvloeden door het maken van bewuste keuzes in zijn leven. Ook dit weet de vodkadrinker. Heil dus aan de oude vodkadrinker, heil dus aan de zwijgzame op zijn pad ontspoorde Chinees. Laat hen in hun lot gekerkerd zoals een te vroeg geboren kaars al is opgebrand voor de heilige mis begint. Dit lot valt niet te tarten. Ziet de gekwetste vogelmens. Ecco vi l’uom’ ch’è stato all’ inferno: ziet, daar is de mens die in de hel is geweest. Denk aan de visoenen van Dante, denk aan de dichter en wapenhandelaar Rimbaud. Ziet de vodkadrinker verteren in zijn zelfgeschapen droomwereld, als een zieke groene rups in zijn cocon. Ziet de zwijgzame Chinees doelbewust en behoedzaam op weg naar zijn brug.