Column: Mag ik ff

Cineast en schrijver René van Nie geeft vijf dagen per week, van maandag tot en met vrijdag, in deze krant zijn geheel eigen visie op allerhande zaken die in de maatschappij spelen. Hij stelt reacties op prijs: vannie@setarnet.aw.
| Markt |
|
|
|
| donderdag, 16 februari 2012 05:42 | |||
|
Ik zat nog maar net op het terras van mijn ‘buitenkantoor’ toen hij kwam aanlopen. In een keurig gestreken kakibroek die tot over de knieën viel. Zijn voeten staken in stevige wollen sokken en ruige sandalen, waarmee hij het risico van koude voeten tot een minimum beperkte. Daarentegen was zijn bovenlichaam bloot en vuurrood. Zijn nek en neus waren daarbij ook klaar om te worden opgediend, tenminste als je van well done houdt. Maar dat weerhield hem niet om halt te houden bij mijn tafel en een zwierig gebaar te maken. “Zit je goed?” Het klonk of hij het echt meende. “Zoals altijd.” En ik wees op de stoel tegenover me. Maar hij schudde zijn hoofd. “Dank je wel, maar ik heb een verbrande reet en sta liever. En het is warm hier, heet, heter dan in Spanje, dat zal ik je vertellen.” Ik knikte. “Maar je hebt ook teveel zon gepakt man, een beetje veel tegelijk als ik het goed zie.” Hij haalde zijn verbrandde schouders op. “Ja wist ik veel, in Spanje verbrand ik nooit.” Hij viel nu even stil en ik wachtte af. “Maar weet je wat ik hier mis, een markt”, riep hij opeens iets te hard. Het zat hem blijkbaar dwars die markt en hij keek me daarbij bestraffend aan alsof dat mijn schuld was. En ik probeerde: “Maar we hebben toch wel een markt in de haven?” Hij snoof iets te luid en riep: “Wat markt, dat is geen markt, dat is een toeristenkermis met in elke kraam dezelfde troep.” Tja, dat kon ik niet ontkennen. “Ja, mijn vrouw zei het ook nog vanmorgen, ze zegt, wat ik hier mis Piet is een markt, want zonder markt is het niet gezellig. In Spanje is er wel een markt en daar is het ook ánders heet.” Ik maakte maar een onbestendig gebaar, want ik wist weinig van markten, al dacht ik opeens met liefde terug aan de Albert Cuyp-markt in Amsterdam. Maar dat hield ik toch maar voor mezelf om zijn lijden niet nóg groter te maken. Gelukkig stapte hij over op een ander onderwerp. “En wat ik ook niet snap, is dat ze me zo moeilijk verstaan hier. Het zijn toch Hollanders hier, die hele woestijn is toch van ons, of niet?” Hij haalde zijn rooie neus op en wees daarbij in de richting van ons prachtige strand, wat blijkbaar niet aan hem besteed was. Ik probeerde een soort van heldere uitleg te geven, maar Piet wist niet van ophouden. “Wat ik ook niet begrijp, zijn al die cactussen hier. Het sterft hiervan die prikkels. Waarom doen ze daar niks mee? Ik betaal daar op de markt bij ons kapitalen voor. Net zo makkelijk een geeltje voor zo’n kleine eikel. Zo groot en niet groter.” Hij maakte met zijn duim en wijsvinger een rondje om zijn betoog te ondersteunen. “Exporteren die handel, ik zou het wel weten, tja. Ik zeg vanmorgen nog tegen mijn vrouw, ik zeg: Rie, het geld ligt hier op straat, groeit aan de bomen, maar ze zien het niet.” Hij schudde zijn hoofd over zoveel gemis aan commercieel denken en raakte een beetje opgewonden. “Geef me zes maanden en die tent hier loopt beter dan Torremolinos.” Ik kreeg het benauwd bij de gedachte en zakte iets terug in mijn stoel. Gelukkig maakte Piet nu aanstalten om door te lopen en besloot heel tevreden: “Ja jongen, ik moet nog twee dagen en dan mag ik weer terug naar huis. Lekker gezellig met Rie naar de markt.”
|










