Column: Vaders

Door Hans Vaders
| ‘Carnaval’ |
|
|
|
| zaterdag, 16 februari 2013 13:06 | |||
|
Gelukkig weer voorbij dat heilloze paganistische carnaval. De handen aan de ploeg dus maar weer om onze economie op te vijzelen. Nu houd ik überhaupt niet zo van al die op religieuze leest geschoeide festiviteiten waarvan me de diepere betekenis en het ultieme nut gelukkig volledig ontgaat of het zou ‘om het zien en gezien te worden’ moeten zijn. Onzin dus, zoals ook die robuuste gespierde mannen die tijdens heilige processies met loodzware beelden door morse Spaanse stegen sjokken of anderen die zich tot bloedens toe met een zweep, bullepees of ander martelwerktuig publiekelijk geselen om uit het breekbare lichaam nog niet gepleegde zonden van de wispelturige geest te slaan. Ook natuurlijk absurd bezig zijn die stervelingen die zich bijvoorbeeld in Costa Rica met Pasen letterlijk als boetedoening aan een kruis laten nagelen, terwijl ondertussen een bonte troep pseudo-Romeinse soldaten in te korte rokjes kordaat langs marcheert. Dat carnaval op Curaçao, geafficheerd als het ‘feest des vlezes’, met of zonder condoom of oordopjes, hoeft voor mij dus ook niet. Niet meer. Natuurlijk was het weer kleurrijk, bont en vol jolig vertier, edoch zeer magertjes, geen grammetje vet teveel. Waar zijn de jaren gebleven dat zich 60 of meer groepen met hun sponsors in volle glorie etaleerden en dit zonder dat de carnavalsroute bij de Roodeweg tot een heemplaats werd van zwaarlijvig politiepersoneel en dronken gelal en een enkele doorgedraaide pacifist? En waarbij zelfs een meelopende minister van Justitie door gespuis langs de kant enigszins belaagd werd zodat zijn lijfwacht moest ingrijpen? Je zult er maar tussen staan met je kleine kinderen. En daarna keurig aan het vasten met water en brood, wat sommige mensen op dit eiland al het hele jaar doen. De Nederlandse poëet Remco Campert gaf mijn gevoelens in zijn magistrale ‘Iemand stelt de vraag’ bodem, toen hij al jaren geleden dichtte:
‘Het was een geweldig feest er stierven drie mensen een van ouderdom een door alcohol een omdat hij vocht met de slang’
Maar eigenlijk ging dit gedicht niet over carnaval maar over seú, het oogstfeest, een gebeurtenis die op ons eiland zonder gevestigde akkerbouwtraditie steeds meer aan invloed en populariteit wint. Eenvoudig en door de ogen van het onschuldige kind bekeken, dat vieren van de minieme oogst die in het verleden voor de shon met bloed zweet en tranen van de schrale akker en uit de zoutpan moest worden geharkt.
Campert benoemt: ‘O maar er werd gedanst en gevrijd bij het leven een dag een nacht en een dag!
Tot het zout op was de kruiken leeg de schelpen door de kroegbaas weer afgepakt toen wankelden ze lachend de berghelling op sliepen hun roes uit in het lange gras een nacht en een lange dag
Terwijl ze sliepen reden beladen met het werk van hun handen in kratten en balen verpakt in bewaakte colonnes de vrachtwagens naar de stad’
En inderdaad, de stad van Schotte en zijn trawanten, en dan stelt iemand de vraag. Een belangrijke vraag die ons terugleidt naar vroegere tijden. Herkennen we ons hierin allemaal of zit het nog dieper? De weerslag van een verleden onder andere palmen in een rustig dorp van leem gelegen aan een glinsterende visrijke rivier, de weerslag van een verleden dat veel dieper gaat dan het door de katholieke kerk geadopteerde carnaval, veel dieper dan de af en aan rijdende vrachtwagens van de machthebbers. Het zit veel dieper, met veel meer tragiek.
|







