Home Opinie Column: Vaders ‘Socialisme’
‘Socialisme’ PDF Afdrukken E-mail
zaterdag, 03 december 2011 07:00

Echte oude socialisten, de ‘die hearts’ van de afgelopen eeuw, bestaan helaas niet meer, slechts als bemost borstbeeld of in een fossiele museale vorm, die de Val van de Muur ontkent en er nog heilig in gelooft dat Cuba, Venezuela en Bolivia onafhankelijke staten zijn waar alles conform de wens van het volk is geregeld en die nu een welkome economische groei doormaken, omdat er in deze vrij totalitair geregeerde landen de facto nog nooit enige economische groei is geweest in de afgelopen decennia.

Oude salonsocialisten waren gewoonlijk mensen die meenden dat de ongelijkheid die we dagelijks om ons heen kunnen zien, niet eerlijk en ook niet nodig is, zonder overigens enig alternatief te bieden. Oude socialisten stonden daarmee recht tegenover diegenen die beweerden dat mensen nu eenmaal altijd ongelijk zullen zijn en blijven, qua visie, kennis en ontwikkelingsniveau en dat we hiermee maar moeten leren leven.

In Nederland ontstond het socialisme in de negentiende eeuw als een beweging van bewuste burgers, die zich verzetten tegen onrecht en armoede. Die oude geschoolde socialisten waren geïnspireerd door verschillende denkers, zoals Saint Simon, Fourier en Marx, en door het feit dat de Franse Revolutie had laten zien dat maatschappelijke verhoudingen niet eeuwig vastliggen en derhalve niet eeuwig voortduren.

De industriële revolutie maakte het voor mensen in de negentiende eeuw voor het eerst mogelijk om zich een wereld zonder armoede voor te stellen. Bovendien maakte de massale manier waarop sociale verbanden door deze industriële revolutie vernietigd werden het ook noodzakelijk om na te denken over een manier waarop de maatschappij beter, adequater ingericht zou moeten worden.

Op Curaçao hebben we nu te maken met onze eigen visionair, onze eigen denker die ons vanuit een ‘socialistische’ stellingname de constitutionele onafhankelijkheid, ‘na een zorgvuldig proces van planning en ontwikkeling’, met een ‘socialistisch ontwikkelingsmodel’ binnen tien jaar tracht aan te smeren, zoals een standwerker op de markt inferieure allesreinigende zeep probeert te verkopen als ware het een topproduct.

En wat voor een topproduct, dit product is gebaseerd op ‘modern socialisme zoals u dat kunt zien in diverse Latijns-Amerikaanse landen’, waarbij kapitalisme door de leider als kannibalisme wordt ontmaskerd. Inderdaad, so be it, volgens een visie althans die gestoeld is op ‘het besef dat als men niet van de geschiedenis lering trekt, men gedoemd is dezelfde fouten te maken’. Laten wij dus uit de geschiedenis lering trekken.

Maar op drijfzand gefundeerde praatjes alleen vullen geen gaatjes en waar een handzame echte ideologie ontbreekt is er altijd nog de volkse kretologie van de ‘voetbalsupporters’ in een stadion tijdens een beladen wedstrijd. Onze eigen Helmin Wiels, tientallen jaren te laat geboren om het communisme of maoïsme te kunnen omarmen als het enige en ware, toonde zich recent in een ingezonden stuk in deze krant geen socialist maar een materialist in zijn opsomming van een twaalftal ‘sterke’ pilaren van onze economie. Een materialist is iemand die de geschiedenis verklaart uit de ontwikkeling van de materiële productie van een maatschappij. Wiels is dus geen idealist, iemand die de geschiedenis verklaart uit de ontwikkeling van ideeën.

De kretologie waaronder het oude socialisme gebukt ging, is voor hem meer een levenshouding, een morele overtuiging, en niet een praktische oplossing voor onze sociale problemen.

Ronald van Raak, ons aller bekend Tweede Kamerlid van de Socialistische Partij, schreef er in 2006 een boekje over, getiteld ‘Modern socialisme’. Van Raak toont zich – analoog aan Wiels? – duidelijk een aanhanger van een parlementaire weg naar socialisme en van de sociaal-democratie. Deze heeft immers binnen een parlementaire democratie met vreedzame middelen de positie van arbeiders kunnen verbeteren. Zo kreeg de arbeidersklasse een gevoel van eigenwaarde, meent Van Raak. Maar op die manier wordt in de woorden van de Nederlandse parlementariër de rol van bijvoorbeeld Pueblo Soberano gereduceerd tot een soort therapie-groep voor mensen uit de arbeidersklasse met een gebrek aan eigenwaarde. En wil Wiels dat wel, want de ‘heersende elite’ zit ook niet stil?

Maar vooral verontrustend aan een dergelijke passage is dat het lijkt te suggereren dat hedendaagse socialistische partijen, om invloed te kunnen hebben, door andere politieke partijen als partner serieus genomen moeten worden. Want echte socialisten, die mijns inziens dus niet meer bestaan, moeten niet streven naar goedkeuring van andere partijen, maar naar een einde aan onderdrukking en uitbuiting. En het zijn de mensen die hieronder gebukt gaan – voor zoverre die te vinden zijn – die de inspiratiebron van kracht moeten zijn.

Als Helmin Wiels over zijn vorm van socialisme spreekt dan weet ik eigenlijk niet wat hij bedoelt. Nergens schetst hij hoe onze ‘nieuwe’ maatschappij eruit zou moeten zien. Laat hij eens de noodzaak voelen zich te definiëren op basis van wat hij werkelijk wil. In plaats daarvan definieert hij zich momenteel op basis van de manier waarop men zich binnen een bepaalde beweging – die meestal ergens tegen is – opstelt. Verder heeft dat maar weinig te maken met onze toekomst, al dan niet onder de knoet en soldatenlaars van het Latijns-Amerikaanse socialisme, zo gepropageerd door onze populist of de zweep en het wurgkoord van het kannibalistische kapitalisme.